BACK TO TEXT

 

 

 

 

LIEDEREN VAN “LA BALANDRANE”
CHANTS DE LA BALANDRANE

1975-1977

 


 

 

ZEVEN GEVAT DOOR DE WINTER
SEPT SAISIS PAR L’HIVER

 

 

Le Bruit de l’allumette

 

HET GELUID VAN DE LUCIFER

 

            Ik werd opgevoed tussen houtvuren, aan de rand van houtskoolvuren die niet als as eindigden. Aan mijn rug verzoende de draaiende horizon van een saffraangeel venster de bruine pluim van het riet met het kalm moeras. De houtblokken vielen volgens de breekbare orde die in spanning wordt gehouden door de alliantie van het absurde en de liefde. Nu eens werd me de gloed in het gezicht geblazen, dan een wrange rook. De zieke held glimlachtte vanuit zijn bed naar mij wanneer hij de ogen niet dichthield om te lijden. Bij hem, heb ik geleerd stil te blijven? De weg niet af te sperren voor de grijze warmte? Het hout van mijn hart toe te vertrouwen aan de vlam die hem zou voeren naar vonken die door de enclaves van de toekomst wordt genegeerd? De data zijn gewist en ik ken de samentrekkingen van het compromis niet.

 

*

               Vermits ik slechts de adem heb, herhaal ik mezelf dat het even lastig en onzeker zal zijn zich later terug te vinden aan de rand van een houtvuur tussen de vonken als nu tijdens deze nacht van wit gelei, op een benige weg van onvoorspoedige sterren.

 

 


 

 

DE FLUIT EN HET HAKBLOK   I
              LA FLUTE ET LE BILLOT   I

 

 

 

Gammes de l’accordeur

 

TOONSCHALEN VAN DE STEMMER

De goden,kleedt ons!
Achter het schot,
Wil niemand jullie nog.

Hilarion van Modena

Overtuigende gasten van de verbrande soep,
Verzamelaars van naalden, van bontgekleurd draad,
Niemand wil jullie nog.
De getuigen zijn gehard.

Gedecimeerd de schadelijken
( De otter en de reiger!)
De loper vertelt
Dat jullie koffers passen
Bij een zeevaarder
Wijs geworden door het vele zwerven
En de herhaalde mislukkingen.

Het belang van het samenzijn
Ligt in het niet zijn samen
Noch mensen, noch goden,
Maar de leerling van een dag,
wel opgesmukt met wat hem toebehoort;
De winden die hem bijstaan
Zijn tevreden over de vlammen.

Aan de woestijn van de agonie, zonder tranen bij de terugkeer,
De gestremde klok en het trage raam,
Ik rechtop in zweet en jullie droog van binnen,
Noch beter noch slechter zullen wij de oven ommuren
En de kamer openen waar het blauwe kind geneest.

 

 


 

end of page

BACK TO TEXT