De hierna volgende tekst wordt gelezen aan een tafel waarop twee spiegels, één gericht naar het publiek, de andere naar de voorlezer.Van beide spiegels zou een gedeelte van het kwik aan de achterkant zodanig kunnen zijn weggekrabt dat een transparantie zou kunnen ontstaan. Een gemene deler, misschien een blik op het oog van de voorlezer, een dij , een lipstand, hoofden misschien van een deel van het publiek. Het is echter veel waarschijnlijker dat zoiets nooit zou zijn doorgegaan. Veeleer zal het publiek in de overtuigende rest van de spiegel kijken of de das nog ligt gekamd, de maskara nog niet tot een plasmatische toestand zou zijn overgegaan en de voorlezer zou sluiks in de weerspiegeling van het licht eerder proberen te gissen of hij nu langs deze of gene kant van de vals fataal voorgestelde grens vertoeft. Hierin dus is de hierna volgende tekst de explicitatie van wat zelf geen mogelijkheid, geen loutere lijkheid van de vergelijking is. Er zou geen stagnerende herhaling zijn en dus ook nooit geen macht. Toch zou de voorlezer binnenkomen langs een deur waarlangs hij na de lektuur ook zal verdwijnen. Hij zou een wit masker dragen met daarop in het zwart het woord ‘thou (gh)’. Zijn achterhoofd is geschilderd als een schietschijf. Een plastieken pijl is erop geplakt.



 
 
 
 
 

Les Portes des Traits
(metamorfose met …)



 
 
 
 

Zon staarde zich in wreedheid uit maar we lagen steil en stil, we blakerden op de helling van een duin, alleen in het helmse gras ratelden krekels noodzakelijk tijd af opdat stilte niet tot maalstroom werd; _ de monotonie van de toonhoogte, een maat voor afstand_ ; een groot geheel in die kleine kern, duinen en duinen zand met obussen van verleden pijn onder ons en bunkers als een ver decor waarvan ik later in een schram nauwelijks de pijn vermoeden zou. Het deerde niet, ik kwam niet aan welke? wereld toe en zat in zussen, peuterde mijn neus zoals nu om niet te moeten zien hoe met hun horizonten, de mijne weken om te zijn. Zij droegen mijn vader weg die ze hadden ingeruild, alleen een boekje voor het bloeden werd gelaten. Diagonalen van psyche waarin ik opgehangen zat als een keizer op zijn troon.
 
 

Metamorfose met Vrouw






Het stil aantrekkend water was eerst, daarna de verheven oever, we lagen er als kringen samen en vroegen meer dan horizonten. Voltooïng sierde elk blozen, sierde elk moment van blozen en er waren geen andere. De tijd was mild voor de zich verbeeldende mens, we hadden niets anders ten voeten uit, dan dodderen in weidse landen en tenen spreiden aan elkander. Er waren klaprozen, geen papavers, klaprozen en boterbloemen. Jouw huid zal een rode trui blijven, jouw naaktheid vatte zich nog samen, kon het nog in een witte lijn van nauwelijks bekennen dat in zich flirt kleursels van onschuld en trouw overheen de feiten. Jouw zwaarte was van de zwaarte een grap op een type-machine. Je bracht bellen en een andere trui; vermoedde je een komende koude toen ik jou zo at, die kou kwam nooit, iemand zweert het, zal nooit komen en dus verbreide ik jouw trui uit en ging in vereenvoudigde vorm.
 
 

Het lichtbruine haar werd mahoniezwart, het ronde lid aan je oog trok zich samen tot een kier, en zo leerde je me de smaak van aarde waarin je zomaar voeten stak. Ik werd abstraktie in mijn raken terwijl jouw gefundeerde tenen krulden van plezier in bouwsels in grond. Je kietelde, alsof het niets was, hemelen tot een wolkse lach die ik, omdat ze zo woog, nooit verstond en ik zweer het je, nooit zal verstaan, en jij sloeg dubbel en joeg mij op vlucht toen ik het geklomp van gouden gronden hoorde en een eerder lichaam met lege meteoren. Voor jou dus heb ik mijn eerste lange nachten gelopen tot ik het blad werd dat ik nimmer meer verliet; wat ik toen niet wist, alleen zag ik een poort en pijn geopend, een open pijn, een poort met pijn stond open.
 
 

En werd jij mij die jou niet verstond. Ik schreef, jij schreef, wij schreven. Slechts zelden liet ik je anders bij mij aan , al was je dubbel, meer dan dubbel in mogelijkheid. Dubbel ook werd je weer verplaatst. Wij waren een startmotor, nooit liet ik wat ook rond draaien. Ik koppelde, schakelde in tekst. Slechts éénmaal kwam het tot explosie maar ik wou het apotheotisch. Je hebt het niet verstaan; ik weet, ik zweer het je, zal het nooit verstaan, maar zal daarom niet minder gelukkig…zo zonder. Ik heb je trouwens opgetekend, meen ik nog te weten. Een dorp, een café, een geleende kamer in de stad, ik meen het nog te weten.
 
 

Tussendoor.
 
 

Tussendoor, het bedrijven van het anonieme waar het gelauwerd lijf zijn autonomie schreeuwt en zich soeverein streelt, en een jij als vele anderen, mij terugwezen naar het spel van charme om lijf van lichaam af te lijden. Maar toch, ik huichelde niet, ik zweer het jullie, danks zij de roes misschien, ik zal nooit huichelen maar jullie bekennen tot in eeuwigheid. Achterbuurten of hun kopieën in hersenschimmen en andere diepe kuilen, of divans en wij, prinselijk dwars geplaatst, als gladiatoren bewust van onze zelfvernedering: ‘alsof’, bewust van onze zelfvernedering alsof, als een voortijdige spiegeling aan welke dood, een herdenking ook van doden, lagen we toch al voor we waren in elkaar. In dit alsof wist men zijn dood terug alsof. Wist men zijn dood terug alsof.

Gom. 
 
 

Deze verleden tijd van ons spreken waar weten zich verwart met wissen laat het vermoeden dat kennis niets is dan onderwerping aan een ‘van het nu’ macht. In de bekentenis spreekt niets dan opnieuw de eeuwigheid van de arrogantie. Laten we het klassieke koesteren om haar tragedies te polijsten, het theatrale om de wetenschap te situeren.
 

Il theatro del mundo als de onschuld van het rationele. Een ampere nuancering binnen de konstanten van het geweld waar tekst realistisch terreur is. Met vrouw en zonder grens. Het gemak van sommigen om met de kennis van de braafste koorknaap diegene te veroordelen die zich met hun gehele lichaam (en dat van anderen) vergist hebben in wat pas achteraf onmogelijk bleek. Zijn de meelopers van het Nachträgliche, de geschiedschrijvers, de echte verkrachters? Zij die de collaboratie aangaan alvoor de vijand zich stelt. de conformen. De vraag kan gesteld, zoals blijkt. De vraag is de vraagstelbaarheid waardig.
 
 

Zo had ook jij diepe ogen met niets dan kind erin, vergeef me, dat ik zoiets, zomaar stel, en heimde speels wat nooit gebeurde. Een open gemoedelijk boek waarin ik zonder achterdocht rustte.
En toch leidde ik jou van je boeken af, je had trouwens geen boek in jou, jij was het en zo bedreef ik met jou boeken feest. Mijn lonken scheen voor jou bevel. Wel werd je vrouw zo ergens halverwege maar dat wijzigde enkel het komma-punt accent. Jij bleef zonder pantser arglist of kokon van macht. Jouw ouders waren mild, robijnen van ingehouden koningsleed, waar jij ook naar geurde in het zille roest van jouw geslacht. Je stond in alles bol en vergat alsof ik niets deed; ik kreeg in jouw liefde geen rest en bleef dus staan, nog en nog, even. Zo zacht dat ik het niet verstond haakte jij terugkeer aan verblijven aan. Zo beminde ik jou in schommeltijden tot ik, vanuit mijn zetel geen verschil meer zag en mij verveelde tot in perversies toe. Zie, dit geheugen aarzelt. Was het schuld of is het geluk wat zich niet herinneren laat en eist alles in het ogenblik. Verdriet waartegen je spartelde en draaide, zoals ik later, vroeger draaide, en soms, het moet wel, het kon niet anders , kleine vreugden. Dankbaar ben ik en zal het altijd zijn, ik zweer je, ik zal je nooit vergoeden.
 
 

Tussenworp
 
 

Wat pluist kreten open, het dat wat het kondigt aan, het neutrale overroept het onverschillige dat zwijgt en liegt rood dat zich om een wonde legt. In Ebylon geschonden tijd van Abraximanhè. Bezwering.Vervloekt het in zich betrokkene allene. Dat-wat ontstaat en het welk van onze idiote moed, dat-daar, dat te verhopen-niet tussen een pretentie van geslachtelijke geschillen door. Anderzijds. Anderzijds, hoe dit te leven dat, dat-daar van het vele delen dat roteert en duikt de omhellingen van tijd, van opgesloten spiegelingen die elkaar het doofstomme, het blinde pronken, een pruttelen van klanken met de veronderstelde meerwaarden, tussendoor, verondersteld.

Tussendoor. Tussen het helderziende van een obligaat blinde rede en het absolute van emoties blijven we louter en amper bestand.



 
 
 
 
 

Jij bracht mij het lichaam als een boterham, je was zo lichaam dat de wereld fris deinde naar jouw strengheid. Geen schaamte om te bekennen dat jij het mooiste was dat ik ooit verkende. Lente was mijn element bij jou. In de zomer kon ik je niet meer aan. De tijd ontbint zich als ik aan jou denk; waar is zij anders voor. Wel schreef ik ooit: "…of hoe ik je borsten niet meer ken noch het zilvervuur van ons verleden of hoe jij gestorven bent in het vragen juist naar hetzelfde steunvuur.", maar ik verhoopte slechts dat een woord nieuw leven brengen zou. Je brandmerkte, tatoeëerde jouw initialen in het veel dat komen zou. Jij was mijn steenkoolvrouw en er was een bos, het was bloedheet en alles stond weer stil. Niets klapperde nog, niets wapperde, vlerkte tenzij binnen de eigen zegels, lucht was zwavel en schroeide, struikgewas beet in alle adders, bos brak open in bos en jouw arena. We deelden dit bos zo dacht ik, het kon niet anders, ik zou je voeren naar de open tra, naar het verkwikkend water, dacht ik, sprak ik, en werd wild van trechters engten. Alles was weigering, alleen, en ik vergat te lezen hoe ik zelf in weigering was. En jij groeide maar in stilstand, het was jouw bos dat brandde, een openbaring die mij uitwees als het vreemde. Alsof nooit iets en jij maar groeide. Misschien was de ruil eerlijk, je onttrok jezelf maar liet mij het monopolie over ons artefakt. Maar toch voel ik me nog bedrogen sinds, ik zweer het, zal me steeds bedrogen voelen. Als Pygmalion zou ik pogen ons gebeuren over te doen, opnieuw de hermetische steen te smeden, maar ik vond jouw dubbel niet terwijl je toch overal bent en ik mezelf dwong tot in spiegelbeelden en jaren rust in opschorting van begeren. Als ik jouw naam spel en er bewonderend oh! aan voorvoeg dan ontkom ik nooit meer aan mezelf.


Ik kan het ook in stilstand voeden hoe ik dat naar je over wil aan een muur gebonden sta en wacht tot een pijngrens zich hertrekt. Ververs ik sluik het zondegoed, of vogel ik met mijn evenkind, dwaas, dwars en dartel in jouw warm waanland toe.


Elke blik van elke vrouw was een verwijt die jij mij achterliet. Zoals jij me aanschreef, schilderde, tekende ik je weg.
 
 

Drie maanden, was je, van het decor een achtergrond, een tussendeur, weg naar buiten. Geen haan die kraaide, er was alleen die stomme hond die blafte en verder nog twee honden en jij, de lach groter dan het gelaat dragen kan, het been zodat ik niet merkte dat ik de kolen van je verscheurde ogen mistte. Iemand sprak de mooiheid van je borsten, ik zag niets dan het schilderen dat ik deed. Om jou zal ik niets zweren, nu niet noch straks want juist dan huppelde iets door mijn problemen door en verwarde weer konkreet mijn gestalte; wat had ik te vragen waar alles helder was als jouw naam, een vraag en antwoord samen. Een roos is een roos is een… Ik stond hier, jij toefde daar, wat kon tussenkomen waar alles tussenstak dan iets dat ver weg jeukte maar steeds weer dichter kwam. De wereld was extreem horizontaal en we deden verstandig alsof we op emoties reisden. Je bekende geen verdriet, het hoefde niet, je smolt het om tot fierte. En fier zul je blijven, dat zweer ik je.
 
 

Onbekend, extreem mooi, weer schetst weg van lijnen in dit onbekende, en zonder arrogantie tegelijk, zo onmogelijk dat ik de fatale aanrijding voorvoelde als je sprak. Het blijft zo meedogenloos als schoonheid sterft. Hoe hij geneigd was Rohmer te lezen als de satiricus van menselijke relaties, of Eisenstein als de expressionistische verkondiger van collektieve tragedies. De chock te begrijpen dat dit slechts bijprodukt was. Schoonheid. De verschrikking van het speelse, van de ongemotiveerde verschuiving; driehoeks- vierkantsverhoudingen uitgetest om tot een juiste beeldcompositie te komen. De oorlog om het beeld in niets dan in de verleiding. In de objektloze verleiding die enkel zichzelf bemint. Geen narcisme; het is de verleiding die zich bemint, het gebeuren. L’Art pour l’art, niet als decorum maar als uiterste terreur.

Kunst die wordt ondanks zichzelf, in het laten overkomen. Het overkwam hem. Het overkomt de ontvankelijkheid. Het vreemde, in casu het model, modelleert hem slechts in de mate dat hij haar laat overkomen. Morphisme. Metamorfose. "Metamorfose" zegt ze. "Met Vrouw" zegt ze. Voor ze totaal verdwijnt in wat ze steeds zou zijn geweest. Ovidius. Ovidius, die bestrijder van Medusa, die bestrijder van onze dwang.
 
 

Ik ben blij dat ik jou niet ben, en ik zweer het je, ik zal je nooit meer zijn, en hoop voor jou hetzelfde. Waanzin kan langs liefde besmettelijk zijn. Zo zijn we misschien nog niet af. Achter charme van stilzwijgen, de plichtige dwang van welke schuld. Jouw spiegel is een afgrond waarin elk verschil duizelt. Ik heb welgeteld nog twintig judaskussen klaar om jou een laatste eer te bewijzen. De rest leest men elders, zoals jij steeds elders was en mij van daaruit at. En tenslotte toch werd bijgezet.


Hoe je nu dooit in een vlak van rozen met vreemde insekten als bewakers.

Natuurlijk is het herfst en zou je opdeelbaar zijn in harnassen van gistende gestalten.

Toch word je nagelaten de plooibare plaats van het karmonijnen kleed dat sluiert en adem meidoorn spreidt over landerijen en een betekenis die ik nog niet zal hebben bemind.

Hoe ik uw geslacht doormergelde met iets anders dan mijn afdalen en tasten, een eis doem tot in het ijkoog van het nog, wordt bijgezet in de duur van het spelen met een eindbeeld.


En toen, daar, een broos kristal voor dooi, even materie-licht van zon in ijs, de glimp van de decembervrouw, de vriendin die niet bleef maar kartelde onder het ijs van beken. Ze brak af en zei neen,


Haar schuurpapieren kleed krast langs de open ademstand van mijn huid die kust, te vlug, verlegen, haar neus naast de even open wond gelegen, van haar mond.


en ik zei neen en was blij dat ik niet ontbrak. Ik was blij. Blij . Hoe jij, passaat, mij een hoek omkirde en ik lente etter.


Nu, na jaren van verzenging, eisend standstaan op freonpegels _luister,
spied, sla aan in angst_ met een kromming door de rimpelrug en lege deuren aan als plicht. Waar geur, want mij, tot ongeur werd, kom ik zonder onderstel, alleen, met een groeiend vooroordeel terecht aan ruiken, land in hand, vreemde planten aan een buik en rug. Alchemisch smelt t’een t’ander aan en breit liefde. Een eerste slag van nagels krast in mijn huid het onbepaalde keurmerk. Een eerste beet, huid wit, bloed ebt weg en armen, benen, wingerds in het wilde weg, lig ik op jou, ik lig op jou, maar zonder koppelteken, gelukkig nog, gelukkig, jeukt jij hersens tot een zachte lach.
Gewoon terug naar af. Omhels ik alras terug mezelf het woord en spiegel en ga overheen het schuiven, vouw in vouw, fines inter fines. Improvisaties , een streep, een vlek. Alles is rustig nu, alles slaapt. En de weekheid van haar zachte buik en mijn vergrijp. Mijn vergrijp is het minieme van een daad waarvoor ik zwijg.

"Zeg maar dat je mij bent, zeg maar dat je mij, zeg maar dat je, zeg maar dat, zeg maar." : zegt zij die niet veel uit handen geeft, terwijl ze het intieme uitvergroot tot altijd verdere eisen en ik de auto-erotiek van het nul heropstart buiten elke pretentie van, althans.


Uit de grote gesuikerde taart nam hij, van het slechte humeur en de gedrogeerde vreugde, van goede luim en lauw verdriet, het nulstuk wat niet in dank wordt afgenomen.
Wat zou dit schilderen anders zijn, dan die geslachtelijke daad, dan abstinentie, de onthouding in zijn dubbele betekenis; het behoud juist door het behoud van afstand. Daarin is het tenebreus, de profundis, het afhouden dat het houden is van wat af staat. Abstinentie; de vergeten mogelijkheid van het koesteren van de kloof, van het ravijn "tussen", midden een verworden retoriek van macht, de eindeloze verwarring van middel en doel. Dus abstinentie dus, geen ascese. Hij zegt: "De abstinentie betrekt, in tegenstelling tot de ascese die een ascendentie inhoudt, datgene waarvan het afstaat, niet op een doel. De abstinentie vrijwaardt van de vernedering door de geveinsde oorzaak." Het exces van het tekort; in het geringe, de overdaad; treurt om hun verlies van het onmogelijke en kust ijzig het blinde oog en wacht op de constituante van de finale verkrachting, de fatale definitie, waarvoor het vluchten zal.
 

Wij scherpen, wat genoemd wordt, hysterie aan elkander. En geef zij mij de man die ik reeds was en zij de vrouw … en ik plots lach en zij die zich in dit lachen verkijkt. "En waarom?"vraagt ze: "Waarom het finale van de spot?" "En waarom het finale van de spot?" zegt hij en hij vervolgt zijn lach. Mozart.


De aarde die het graan ontvangt is treurig. Het graan dat zoveel gaat riskeren gelukkig.(R.Char)




Strooi het zaad aan, verbrijsel in het schedeldak de toekomende pigmenten, die verre vemoeide reizigers, verbrijsel en lach in de branding van het halsstarrig open wond de instemming met dit koddig staan en omslaan.


En hij is nog steeds fout. Zij zouden nog steeds fout kunnen zijn. Als laatsten misschien, nu de demokratie struikelt vooral in de dwang van de ijking van haar spiegel, van de illusie te verwijlen bij een reddende aanwezigheid, bij een betekenis voor de uitputting. "Zie" zegt hij "hoe ze klagen, zij die de uitputting steeds hebben uitgedelegeerd, kinderlijk en guitig daarentegen vergaat het de wingerd die zich verraad aan de planten die hem steunen terwijl hij wurgt. Eenzaam, met de kracht van geen besluit tegen datgene wat met veel lawaai, heilig, heilig, heilig, (herhaling van het herhaalde tot ikoon; negatief of positief; het doet er eigenlijk niet toe, als ze maar kunnen leven als geheugenloze kannibalen.) nog steeds niet weet dat de grootste misdaden steeds in naam van gecollektiveerde kennis en goedheid zijn begaan. Terwijl alles van waarde fundamenteel onmeededeelbaar is. Fataal ondeelbaar is. Ach zachte zuster waanzin, porter le chagrin des départs en soi, partir là où personne ne part. Het al erge van een betekenis verstijft tot een rigor mortis als zij gedeeld wordt in de uniform van kommunikatie. Angst voor het polyfone, het hedendaagse veroordeelt tot de gevangenis van de al dan niet musea. Dat de stagnatie in het mogelijke, zelfs in haar totale verscheidenheid steeds moord is, zoals alleen het offer het onmogelijke in het meest intieme toelaat. In de engten van Lepante verloor Cervantes Saavedra de arm (al was het de linkse) waarmee hij schrijven zal.
 
 
 

"Probeer mij niet te begrijpen":zegt ze. "Nu niet, later niet." Hij houdt van haar, hij begrijpt niets, hij begrijpt niets van haar die hem zei dat hij maar zeggen moest dat hij haar was. Hij begrijpt zich niet. Hij stottert: "Het negatieve heeft gelijk, zoals er net iets meer plezier is in geven dan in krijgen, heeft het negatieve nooit gelijk; er is geen ijk in haar gelijk, er is geen lijk in haar gelijk; geen lijk in haar gelijken. Alleen het verder reizen van de dood. Het eindeloze van de verschrijving, het wegschilderen. Het nooit toe komen.
 

Het model draait zich schuw weg voor het schilderend oog. Zij zou de verleiding, het weg/weer/weg als realiteit gesuggereerd hebben. Niet en slechts zo. Houdt zij de wisseling aan die slechts door duur verbleekt. Wisselbaarheden die vervagen in haar verzameling. Draagt zij het poëtische?; het nooit-niets van bestendig duren? Slechts zo zou hij haar ongewild geraakt hebben. De zon klatert het water. Eist zij afstand van begeren. Een vliegtuig zoemt door de nacht. Enkel door de nacht zoemt het. Causaal? Hij kan het slechts in het accent van het spel. Hij speelt zoals ze hem eist, voor haar en haar dood. Want ze is slechts vrij in de mate dat ze haar dood kan sterven als eigenheid. Als kanker tegen de opkomst. "Omdat het hen niet langer gegeven is in grootheid te handelen met die fatale bezorgdheid zich te laten vernietigen door hun gelijke, omdat hun inerte rijkdom hen afremt en hen ketent, verliezen de mensen van vandaag, tewijl ze zich in leven houden, met hun afgezwakt instinkt, tot en met het stof van hun naam."
 

Zo eist zij hem, veilig want verboden, geeft hem de oorlog die hij nodig heeft. Zij schenkt hem de op voorhand verloren strijd tegen de verzegeling waaraan de sociabiliteit zich laaft met haar motor van ontkend geweld. Aanschuiven, oprillen zelf, aan het koesteren van het gedeelde lijk. Niet zo eist hij haar; zij gilt hem achterna, hij zegt, hij moet zeggen:"Ik hou van je", hij zegt:"Dit zal volstaan." Voelt hij extreem haar kwetsbaarheid. Voedt hij extreem haar kwetsbaarheid.
 

Hij betracht het poëtische, dat wil zeggen de ankers van de open geest tegen de vakanties van de besloten rede. Iemand verdenkt hem ervan zich te willen dissekteren om wat van zich nog overblijft alsnog rondom haar te wentelen. Maar zij gaat dus gaan zij. "Lees de schoonheid" : zegt hij nog maar hij raakt in paniek alsof hij sprak tot het zelf dat hij nooit was.
 

Zij zou gegaan zijn. Het model. "Doorslaggevend zonder ooit ergens aan deel te nemen; als een heden, dat zich buiten elke herinnering om, verder opstapelt; de spiegel van zijn solitaire monarchie.". Hij schildert weg.
 

Schildert in haar afwijzing zijn tekort. Een zelfportret, maar wie? Schildert eerst en vooral zichzelf weg doorheen die fataal verwijlende zerken en zou met de blindheid van haar oog verder gezocht hebben naar het differentieel dat haar verrukkelijk onderscheidt.


Zo is hij engel nu,

azurig onoplosbaar in azuur

(dit oud ondeelbaar landschap)

nadert hij de mens,

zoals niemand,

die dubbele,

ooit

Dit is het celibatair uur.

Alles,

is uitgespreid een coïtus.

Het heelal,

een blijven krampen van orgasme.

Het net niet spatten van de zeepbel

komt klaar in de ongelezen tekst

en wil alleen in jouw afscheiding nog,

fijnproeven

het uitstel van de geur van aarde.



 
 
 
 
 
 
 

Frank Beeusaert

Gent, juni’98


back to texts
back to index