De hierna volgende tekst wordt gelezen aan een tafel waarop twee spiegels, één gericht naar het publiek, de andere naar de voorlezer.Van beide spiegels zou een gedeelte van het kwik aan de achterkant zodanig kunnen zijn weggekrabt dat een transparantie zou kunnen ontstaan. Een gemene deler, misschien een blik op het oog van de voorlezer, een dij , een lipstand, hoofden misschien van een deel van het publiek. Het is echter veel waarschijnlijker dat zoiets nooit zou zijn doorgegaan. Veeleer zal het publiek in de overtuigende rest van de spiegel kijken of de das nog ligt gekamd, de maskara nog niet tot een plasmatische toestand zou zijn overgegaan en de voorlezer zou sluiks in de weerspiegeling van het licht eerder proberen te gissen of hij nu langs deze of gene kant van de vals fataal voorgestelde grens vertoeft. Hierin dus is de hierna volgende tekst de explicitatie van wat zelf geen mogelijkheid, geen loutere lijkheid van de vergelijking is. Er zou geen stagnerende herhaling zijn en dus ook nooit geen macht. Toch zou de voorlezer binnenkomen langs een deur waarlangs hij na de lektuur ook zal verdwijnen. Hij zou een wit masker dragen met daarop in het zwart het woord ‘thou (gh)’. Zijn achterhoofd is geschilderd als een schietschijf. Een plastieken pijl is erop geplakt.
Metamorfose met Vrouw
Het stil aantrekkend water
was eerst, daarna de verheven oever, we lagen er als kringen samen en vroegen
meer dan horizonten. Voltooïng sierde elk blozen, sierde elk moment
van blozen en er waren geen andere. De tijd was mild voor de zich verbeeldende
mens, we hadden niets anders ten voeten uit, dan dodderen in weidse landen
en tenen spreiden aan elkander. Er waren klaprozen, geen papavers, klaprozen
en boterbloemen. Jouw huid zal een rode trui blijven, jouw naaktheid vatte
zich nog samen, kon het nog in een witte lijn van nauwelijks bekennen dat
in zich flirt kleursels van onschuld en trouw overheen de feiten. Jouw
zwaarte was van de zwaarte een grap op een type-machine. Je bracht bellen
en een andere trui; vermoedde je een komende koude toen ik jou zo at, die
kou kwam nooit, iemand zweert het, zal nooit komen en dus verbreide ik
jouw trui uit en ging in vereenvoudigde vorm.
Het lichtbruine haar werd
mahoniezwart, het ronde lid aan je oog trok zich samen tot een kier, en
zo leerde je me de smaak van aarde waarin je zomaar voeten stak. Ik werd
abstraktie in mijn raken terwijl jouw gefundeerde tenen krulden van plezier
in bouwsels in grond. Je kietelde, alsof het niets was, hemelen tot een
wolkse lach die ik, omdat ze zo woog, nooit verstond en ik zweer het je,
nooit zal verstaan, en jij sloeg dubbel en joeg mij op vlucht toen ik het
geklomp van gouden gronden hoorde en een eerder lichaam met lege meteoren.
Voor jou dus heb ik mijn eerste lange nachten gelopen tot ik het blad werd
dat ik nimmer meer verliet; wat ik toen niet wist, alleen zag ik een poort
en pijn geopend, een open pijn, een poort met pijn stond open.
En werd jij mij die jou niet
verstond. Ik schreef, jij schreef, wij schreven. Slechts zelden liet ik
je anders bij mij aan , al was je dubbel, meer dan dubbel in mogelijkheid.
Dubbel ook werd je weer verplaatst. Wij waren een startmotor, nooit liet
ik wat ook rond draaien. Ik koppelde, schakelde in tekst. Slechts éénmaal
kwam het tot explosie maar ik wou het apotheotisch. Je hebt het niet verstaan;
ik weet, ik zweer het je, zal het nooit verstaan, maar zal daarom niet
minder gelukkig…zo zonder. Ik heb je trouwens opgetekend, meen ik nog te
weten. Een dorp, een café, een geleende kamer in de stad, ik meen
het nog te weten.
Tussendoor.
Tussendoor, het bedrijven van het anonieme waar het gelauwerd lijf zijn autonomie schreeuwt en zich soeverein streelt, en een jij als vele anderen, mij terugwezen naar het spel van charme om lijf van lichaam af te lijden. Maar toch, ik huichelde niet, ik zweer het jullie, danks zij de roes misschien, ik zal nooit huichelen maar jullie bekennen tot in eeuwigheid. Achterbuurten of hun kopieën in hersenschimmen en andere diepe kuilen, of divans en wij, prinselijk dwars geplaatst, als gladiatoren bewust van onze zelfvernedering: ‘alsof’, bewust van onze zelfvernedering alsof, als een voortijdige spiegeling aan welke dood, een herdenking ook van doden, lagen we toch al voor we waren in elkaar. In dit alsof wist men zijn dood terug alsof. Wist men zijn dood terug alsof.
Gom.
Deze verleden tijd van ons
spreken waar weten zich verwart met wissen laat het vermoeden dat kennis
niets is dan onderwerping aan een ‘van het nu’ macht. In de bekentenis
spreekt niets dan opnieuw de eeuwigheid van de arrogantie. Laten we het
klassieke koesteren om haar tragedies te polijsten, het theatrale om de
wetenschap te situeren.
Il theatro del mundo als
de onschuld van het rationele. Een ampere nuancering binnen de konstanten
van het geweld waar tekst realistisch terreur is. Met vrouw en zonder grens.
Het gemak van sommigen om met de kennis van de braafste koorknaap diegene
te veroordelen die zich met hun gehele lichaam (en dat van anderen) vergist
hebben in wat pas achteraf onmogelijk bleek. Zijn de meelopers van het
Nachträgliche, de geschiedschrijvers, de echte verkrachters? Zij die de
collaboratie aangaan alvoor de vijand zich stelt. de conformen. De
vraag
kan gesteld, zoals blijkt. De vraag is de vraagstelbaarheid waardig.
Zo had ook jij diepe ogen
met niets dan kind erin, vergeef me, dat ik zoiets, zomaar stel, en heimde
speels wat nooit gebeurde. Een open gemoedelijk boek waarin ik zonder achterdocht
rustte.
En toch leidde ik jou van
je boeken af, je had trouwens geen boek in jou, jij was het en zo bedreef
ik met jou boeken feest. Mijn lonken scheen voor jou bevel. Wel werd je
vrouw zo ergens halverwege maar dat wijzigde enkel het komma-punt accent.
Jij bleef zonder pantser arglist of kokon van macht. Jouw ouders waren
mild, robijnen van ingehouden koningsleed, waar jij ook naar geurde in
het zille roest van jouw geslacht. Je stond in alles bol en vergat alsof
ik niets deed; ik kreeg in jouw liefde geen rest en bleef dus staan, nog
en nog, even. Zo zacht dat ik het niet verstond haakte jij terugkeer aan
verblijven aan. Zo beminde ik jou in schommeltijden tot ik, vanuit mijn
zetel geen verschil meer zag en mij verveelde tot in perversies toe. Zie,
dit geheugen aarzelt. Was het schuld of is het geluk wat zich niet herinneren
laat en eist alles in het ogenblik. Verdriet waartegen je spartelde en
draaide, zoals ik later, vroeger draaide, en soms, het moet wel, het kon
niet anders , kleine vreugden. Dankbaar ben ik en zal het altijd zijn,
ik zweer je, ik zal je nooit vergoeden.
Wat pluist kreten open, het dat wat het kondigt aan, het neutrale overroept het onverschillige dat zwijgt en liegt rood dat zich om een wonde legt. In Ebylon geschonden tijd van Abraximanhè. Bezwering.Vervloekt het in zich betrokkene allene. Dat-wat ontstaat en het welk van onze idiote moed, dat-daar, dat te verhopen-niet tussen een pretentie van geslachtelijke geschillen door. Anderzijds. Anderzijds, hoe dit te leven dat, dat-daar van het vele delen dat roteert en duikt de omhellingen van tijd, van opgesloten spiegelingen die elkaar het doofstomme, het blinde pronken, een pruttelen van klanken met de veronderstelde meerwaarden, tussendoor, verondersteld.
Tussendoor. Tussen het helderziende van een obligaat blinde rede en het absolute van emoties blijven we louter en amper bestand.
Ik kan het ook in stilstand voeden hoe ik dat naar je over wil aan een muur gebonden sta en wacht tot een pijngrens zich hertrekt. Ververs ik sluik het zondegoed, of vogel ik met mijn evenkind, dwaas, dwars en dartel in jouw warm waanland toe.
Drie maanden, was je, van
het decor een achtergrond, een tussendeur, weg naar buiten. Geen haan die
kraaide, er was alleen die stomme hond die blafte en verder nog twee honden
en jij, de lach groter dan het gelaat dragen kan, het been zodat ik niet
merkte dat ik de kolen van je verscheurde ogen mistte. Iemand sprak de
mooiheid van je borsten, ik zag niets dan het schilderen dat ik deed. Om
jou zal ik niets zweren, nu niet noch straks want juist dan huppelde iets
door mijn problemen door en verwarde weer konkreet mijn gestalte; wat had
ik te vragen waar alles helder was als jouw naam, een vraag en antwoord
samen. Een roos is een roos is een… Ik stond hier, jij toefde daar, wat
kon tussenkomen waar alles tussenstak dan iets dat ver weg jeukte maar
steeds weer dichter kwam. De wereld was extreem horizontaal en we deden
verstandig alsof we op emoties reisden. Je bekende geen verdriet, het hoefde
niet, je smolt het om tot fierte. En fier zul je blijven, dat zweer ik
je.
Onbekend, extreem mooi, weer schetst weg van lijnen in dit onbekende, en zonder arrogantie tegelijk, zo onmogelijk dat ik de fatale aanrijding voorvoelde als je sprak. Het blijft zo meedogenloos als schoonheid sterft. Hoe hij geneigd was Rohmer te lezen als de satiricus van menselijke relaties, of Eisenstein als de expressionistische verkondiger van collektieve tragedies. De chock te begrijpen dat dit slechts bijprodukt was. Schoonheid. De verschrikking van het speelse, van de ongemotiveerde verschuiving; driehoeks- vierkantsverhoudingen uitgetest om tot een juiste beeldcompositie te komen. De oorlog om het beeld in niets dan in de verleiding. In de objektloze verleiding die enkel zichzelf bemint. Geen narcisme; het is de verleiding die zich bemint, het gebeuren. L’Art pour l’art, niet als decorum maar als uiterste terreur.
Kunst die wordt ondanks zichzelf,
in het laten overkomen. Het overkwam hem. Het overkomt de ontvankelijkheid.
Het vreemde, in casu het model, modelleert hem slechts in de mate dat hij
haar laat overkomen. Morphisme. Metamorfose. "Metamorfose" zegt ze. "Met
Vrouw" zegt ze. Voor ze totaal verdwijnt in wat ze steeds zou zijn geweest.
Ovidius. Ovidius, die bestrijder van Medusa, die bestrijder van onze dwang.
Ik ben blij dat ik jou niet ben, en ik zweer het je, ik zal je nooit meer zijn, en hoop voor jou hetzelfde. Waanzin kan langs liefde besmettelijk zijn. Zo zijn we misschien nog niet af. Achter charme van stilzwijgen, de plichtige dwang van welke schuld. Jouw spiegel is een afgrond waarin elk verschil duizelt. Ik heb welgeteld nog twintig judaskussen klaar om jou een laatste eer te bewijzen. De rest leest men elders, zoals jij steeds elders was en mij van daaruit at. En tenslotte toch werd bijgezet.
Natuurlijk is het herfst en zou je opdeelbaar zijn in harnassen van gistende gestalten.
Toch word je nagelaten de plooibare plaats van het karmonijnen kleed dat sluiert en adem meidoorn spreidt over landerijen en een betekenis die ik nog niet zal hebben bemind.
Hoe ik uw geslacht doormergelde met iets anders dan mijn afdalen en tasten, een eis doem tot in het ijkoog van het nog, wordt bijgezet in de duur van het spelen met een eindbeeld.
En toen, daar, een broos kristal voor dooi, even materie-licht van zon in ijs, de glimp van de decembervrouw, de vriendin die niet bleef maar kartelde onder het ijs van beken. Ze brak af en zei neen,
Haar schuurpapieren kleed krast langs de open ademstand van mijn huid die kust, te vlug, verlegen, haar neus naast de even open wond gelegen, van haar mond.
"Zeg maar dat je mij bent, zeg maar dat je mij, zeg maar dat je, zeg maar dat, zeg maar." : zegt zij die niet veel uit handen geeft, terwijl ze het intieme uitvergroot tot altijd verdere eisen en ik de auto-erotiek van het nul heropstart buiten elke pretentie van, althans.
Wij scherpen, wat genoemd wordt, hysterie aan elkander. En geef zij mij de man die ik reeds was en zij de vrouw … en ik plots lach en zij die zich in dit lachen verkijkt. "En waarom?"vraagt ze: "Waarom het finale van de spot?" "En waarom het finale van de spot?" zegt hij en hij vervolgt zijn lach. Mozart.
De aarde die het graan ontvangt is treurig. Het graan dat zoveel gaat riskeren gelukkig.(R.Char)
"Probeer mij niet te begrijpen":zegt
ze. "Nu niet, later niet." Hij houdt van haar, hij begrijpt niets, hij
begrijpt niets van haar die hem zei dat hij maar zeggen moest dat hij haar
was.
Hij begrijpt zich niet. Hij stottert: "Het negatieve heeft gelijk, zoals
er net iets meer plezier is in geven dan in krijgen, heeft het negatieve
nooit gelijk; er is geen ijk in haar gelijk, er is geen lijk in haar gelijk;
geen lijk in haar gelijken. Alleen het verder reizen van de dood. Het eindeloze
van de verschrijving, het wegschilderen. Het nooit toe komen.
Het model draait zich schuw
weg voor het schilderend oog. Zij zou de verleiding, het weg/weer/weg als
realiteit gesuggereerd hebben. Niet en slechts zo. Houdt zij de wisseling
aan die slechts door duur verbleekt. Wisselbaarheden die vervagen in haar
verzameling. Draagt zij het poëtische?; het nooit-niets van bestendig
duren? Slechts zo zou hij haar ongewild geraakt hebben. De zon klatert
het water. Eist zij afstand van begeren. Een vliegtuig zoemt door de nacht.
Enkel door de nacht zoemt het. Causaal? Hij kan het slechts in het accent
van het spel. Hij speelt zoals ze hem eist, voor haar en haar dood. Want
ze is slechts vrij in de mate dat ze haar dood kan sterven als eigenheid.
Als kanker tegen de opkomst. "Omdat het hen niet langer gegeven is in grootheid
te handelen met die fatale bezorgdheid zich te laten vernietigen door hun
gelijke, omdat hun inerte rijkdom hen afremt en hen ketent, verliezen de
mensen van vandaag, tewijl ze zich in leven houden, met hun afgezwakt instinkt,
tot en met het stof van hun naam."
Zo eist zij hem, veilig want
verboden, geeft hem de oorlog die hij nodig heeft. Zij schenkt hem de op
voorhand verloren strijd tegen de verzegeling waaraan de sociabiliteit
zich laaft met haar motor van ontkend geweld. Aanschuiven, oprillen zelf,
aan het koesteren van het gedeelde lijk. Niet zo eist hij haar; zij gilt
hem achterna, hij zegt, hij moet zeggen:"Ik hou van je", hij zegt:"Dit
zal volstaan." Voelt hij extreem haar kwetsbaarheid. Voedt hij extreem
haar kwetsbaarheid.
Hij betracht het poëtische,
dat wil zeggen de ankers van de open geest tegen de vakanties van de besloten
rede. Iemand verdenkt hem ervan zich te willen dissekteren om wat van zich
nog overblijft alsnog rondom haar te wentelen. Maar zij gaat dus gaan zij.
"Lees de schoonheid" : zegt hij nog maar hij raakt in paniek alsof hij
sprak tot het zelf dat hij nooit was.
Zij zou gegaan zijn. Het
model. "Doorslaggevend zonder ooit ergens aan deel te nemen; als een heden,
dat zich buiten elke herinnering om, verder opstapelt; de spiegel van zijn
solitaire monarchie.". Hij schildert weg.
Schildert in haar afwijzing zijn tekort. Een zelfportret, maar wie? Schildert eerst en vooral zichzelf weg doorheen die fataal verwijlende zerken en zou met de blindheid van haar oog verder gezocht hebben naar het differentieel dat haar verrukkelijk onderscheidt.
azurig onoplosbaar in azuur
(dit oud ondeelbaar landschap)
nadert hij de mens,
zoals niemand,
die dubbele,
ooit
Dit is het celibatair uur.
Alles,
is uitgespreid een coïtus.
Het heelal,
een blijven krampen van orgasme.
Het net niet spatten van de zeepbel
komt klaar in de ongelezen tekst
en wil alleen in jouw afscheiding nog,
fijnproeven
het uitstel van de geur van aarde.
Frank Beeusaert
Gent, juni’98