ZIEN, UITGAAN EN TERUG
Frank Beeusaert
Aan de initialen: A.G.
(’94)
Zien, uitgaan en terug
“Entre ton plus grand bien et leur
moindre mal rougoie la poésie.”
René Char
Zien uitgaan
Uitgaand licht
Wie waagt waanzijn weten,
Wie waagt waan zijn weten,
spijbelt niet met spektraal licht.
Noch leert hem,
een gokgeile nacht,
orakelzijde,
dubbelbelegen tonggevrij,
verzwegen.
Maar opmerkelijk,
nergens tussen beiden in,
had het woeste luik
het valse oog vermorzeld
enkel en alleen voor het licht aan
of aan ging.
Blindspel
Het ingekeerde oog had gestotterd
een uitgaande spiegel,
aanzet tot het
terug verblijven van welk beeld op de
schaamteloze achterkant.
Wat werd vergeten?
Wat geschonden?
Arrogant door radeloosheid
_alsof dat iets zeggen wil_
blikt het weer opkrikken van het oud azuur,
kristallijnen spot in de schrijfbare diepten
van het galmen van vuur.
Een blinde man zal het kronkelend oog begaan
in de beleerde roes dat niets
zichzelf zal strelen
Verrukt tot en met in schande.
Het oog van het ei
Uitgesproken,
blaft verder een spiegel
die de glimp verwat.
Een gloed weerom
bekilde het vreemde publiek,
ziet weldra meer dan schamper licht
plukken kan:
ook in het eiöog van de mayonaise
zal een dood zijn lek benijden.
Fabel
I
In een verre tijd,
in een afgescheiden landschap,
in een medeplichtig huis,
een gesuggereerd huis.
Koorts,
lust,
lust het haar dat haar,
tot dan nog borg,
bloost uit het oplichtend oog
haar open sluier over open
en verliest de
hand waarmee zij haar eerste kreten aaide,
langsom een niet te begrijpen gloed,
in een sindsdien niet meer te spreken
spreken.
De bijziendheid van het fixerend oog
dwong de nog naakte lach tot de
plichtige charme waarop elke projektie
dagen kan.
II
Dus asloos nu,
ijlde toch dit rad zich los
uit het bodemloze huis
met het kaderloos raam.
Zien werd exces van kijken.
Wat staarde,
ginds nog, tot een emulsie van angst in drift,
filtert nu, als ontembare weerglans
van het onheuglijk gedeelde bloed,
drift in angst;
een tol in zijn nu blind tekort en mij
tot het oog teveel dat ook beter
mist.
Overal
danst honderdvoudig de uitgestrooide vader.
Nergens
komt toe de onderschreven brief.
III
De ontginning van de ontsloten
schaamte
vat nu liefde samen,
geen afwijking het oog gegund;
een kans
weigert verbeten het lot te bedriegen
met haar onverstoorbare tegenstelling
van hoop.
Maar in welke verwarring,
in welke onterving nog
zijn deze monetaire lijven
verbonden tenzij in de ampere
nacht van een louter beursbericht?
Iris
Uw iris,
niet langer de naamloze vrouw,
mijn liefde.
Uw iris,
verdraagt geen regenboog van goden meer.
Zij meende te vermogen de intieme lasten
te vertalen met ijkstenen van genot.
Neen.
Uw iris,
vlindert niet met haar grote mars
de aankondiging van de laatste bezoeker.
Geen bruin, geen groen, geen blauw,
_de verborgen traan verbergt in haar bergen het breken van het licht_
uw iris.
Uw iris,
mijn liefde,
is enkel nog de zwaardlelie die ons wandelen
langs eens het ondraagzame, doorstak tot een
ommegang langsheen de verzegelde geslachten.
Geen eb,
geen vloed
van stralen,
geen draaien
van radialen poëzie.
Zuig ik nu uw oog
als de dooier van een ei.
Tegenlicht
I
De witte laakbaarheid van ons leven oordeelt:
dood,
waarna de verwijlende menigte haar rangen sluit.
Kan ik haar dan slechts haar moed verwijten en
bestemmen de tamme vlijt van haar koen
vergeten.
Je was al wel begraven,
in het veilig landschap van het gestelde spreken,
zoals iedereen of was het niemand?
Wat wou je dan?
De buitenbarstige kramp van welk reële?
II
Maar toch.
Welk spel van zachte ijdelheden,
welk begeren,
welke omweg werd ontzegd?
Welke doodsdrang die slechts levend kon?
Of niet?
Of toch?
Je sterft, je stierf, je sterft.
Het verhaal kan vermenigvuldigd,
en zal het ook in vervreemde glinsters van moord tot offer,
van gif tot gave
van gif van gave,
dat niet hoorzaam antwoordt op de knoeiende
hunker van het biologisch sektarisme.
Neen,
je blijft in de navel van ons spreken, ook al zweeg ik
_steeds dubbel,
jij en ik,
als twee helften elkaars voorwaarde
zonder ooit elkaar te raken_
met woorden die een leuren zijn met zerken, een amper testen
van het engelengeslacht.
III
Er is geen weg terug,
er zijn alleen nog,
zoals altijd,
de vele onbegane lanen,
met kale tegenlichtse bomen,
waarop ik sta met u,
dralend en drempel
dralend en drempel,
liftbaar richtingsloos
tussen het steen geworden toeval
en de kans van gas.
Maar trek het je niet aan.
De rest doen we samen, cryptisch.
Perkament
Nu jij gestroopt daar ligt, bemelkt, bewierookt,
(en daarmee zal ik bedoelen de huid)
Nu jij gestroopt daar ligt, de huid,
niet die,
aan de aarde als een zuurtige oprisping
van voedsel,
of aan de wetenschap ter orakel,
open wordt gebaard.
Maar dit uiteindelijk gewillig perkament
waar doorheen ik éénmalig exact
het verboden woord
“geprangd”
had kunnen huilen.
Van een meester,
hij zij gezegend,
wil ik elke naam ontleren.
Geen overleven motiveert de wens
het blad te beproeven.
Alleen het schrijven,
dat zij mij,
al voor ik was,
mij had vergeven
maar niet zonder dat ik haar veracht
in en met haar kracht.
Een open oog nu het ooglid
van de schaamte is vergaan.
Blijft zij moeder
leven dood in mij verward.
Achtervolgen
Waar alles is op reis,
het ontluiken van eenzelfde onvermogen,
eist het spieden van ogen overal.
Weer doorhalen van spreken,
eindeloos wordt
eindeloos
tot plots de halfgevederde,
de aarzel het ritme verstelt.
Niet daarvoor,
Niet daarna,
Niet tijdens
zullen wij worden vergoed,
maar moedeloos omzeemt
en spons
hijgen wij het uitspreken van een naam.
De klok helpt met haar willekeurig tikken.
Even beamen wij onze adem alvorens...
...witte sneeuw aait geen dialektisch pleister
op het zwart van kool,
tenzij hun verlopen kus
in krassend kruisen wordt besmet en zij slecht
hun wonde delen.
Vloeit het zilte bloed over het o n t b o n d e n gaas.
Alleen daar,
een loosloze angst in elk verband
achtervolgt een adem wind.
Ogen,
ogen,
beminnen wij de vijand
om de steeds verkeerde reden.
Boodschap
In de fossiele streken van determinanten,
van te gedrilde harmonieën,
huilen de in smeltend vlees gegrifte
omtrekken van een schimmig beeld,
de raadselachtige spot van intieme
bliksems.
Nog steeds vrijt de slang de arend op
in een cyclisch keren nu tussen pisgele hoop
en het glacerend gestamel van pruisisch blauw
dat zwart uitslaat als het dekt.
Het huilen zingt nu,
zingt het ongepolijste, de daarna ontdubbelde spiegel in,
en de spiegel terug tot scherven glas.
Het lied verdraagt zich slechts in de
wederzijdse explosies van elke adhesie.
Staat het plasmatisch vuur.
Borrelt de spiegel fontein.
Een wonde likt het kwik
van haar achterkant.
De toekomst is niet meer,
het verleden zou nog niet gekomen zijn
en overal slapen noodzakelijk de levenden.
Wachten zij op de plotse matinale kreet
die hen tot het juiste offer plengen zal?
Of hebben zij gewoon hun dood vergeten?
aan de schemering
Om de naaktslag te kennen legt men haar in het licht dat het licht schijnt van haar ongemak. Maar ook de duisternis is haar fataal want lag zij niet in de opening van de deur waarlangs de nachtelijke bezoekers nog moesten komen.
Kon zij ooit elders liggen?
Zo ook het openen en sluiten van onze lichamen.
Met wat wordt de eenheid met het ongevreesde getooid tenzij door een weemoed van geest. Een klein aanlanden waaruit zij haar falen gist en bij het volgend aaien een hernieuwde herinnering staagt. Als het slijm van bij zichzelf aanwezige slakken.
Een glijbaan tussen kramp en aanval.
Een zich samentrekkende overhoring.
Een zich laten glijden van verlangen
in een schemering.