BACK TO TEXT

 

HET WOORD AAN HET SCHIEREILAND
LA PAROLE EN ARCHIPEL

 

 


 

 

 

DE BIBLIOTHEEK STAAT IN BRAND EN ANDERE GEDICHTEN
LA BIBLIOTHEQUE EST EN FEU ET AUTRES POEMES

 

 

 

 

La Bibliothèque est en feu

 

DE BIBLIOTHEEK STAAT IN BRAND
                                                     

                                                     Aan George Braque

          Door de mond van dit kanon sneeuwt het. Het was de hel in ons hoofd. Op hetzelfde ogenblik is het lente aan de uiteinde van onze vingers. Het is de her toegelaten draf, de aarde in liefde, uitgelaten grassen.

          De geest ook, zoals elk ding, heeft gebeefd.

          De arend staat in de toekomst.

          Elke actie die de ziel engageert, zelfs als deze daarvan onwetend zou zijn, zal hebben als epiloog een berouw of een verdriet. Wij moeten ons daarbij neerleggen.

          Hoe kwam het schrijven tot mij? Als een vogeldons op mijn ruit, s'winters. Aanstonds richtte zich binnen de haard een gevecht van houtsplinters op die, tot heden nog, niet beëindigd is.

          Zijdeachtige steden van de alledaagse blik, ingelast tussen andere steden, tussen de door ons alleen afgebakende straten, onder de vleugel van bliksems die onze attenties beantwoorden.

          Alles in ons zou slechts vrolijk feest moeten zijn, wanneer iets, dat we niet hebben voorzien, dat we niet
ophelderen, dat gaat spreken tot ons hart, door zijn eigen toedoen, plaatsvindt.

          Laten we blijven onze peilloden uitwerpen, spreken met gelijke stem, met gegroepeerde woorden, wij zullen erin slagen al deze handen te doen zwijgen, door te bekomen dat zij zich verwarren met het weidegras, terwijl ze ons bewaken met een rokerig oog, zal de wind hun rug uitwissen.

          De bliksem duurt me.

          Er is slechts de mij gelijke, de gezellin of gezel, die mij kan wekken uit mijn verslagenheid, de poëzie in werking kan zetten, mij kan opjutten tegen de grenzen van de oude woestijn, opdat ik over haar triomfeer. Niemand anders. Noch hemel, noch geprivilegieerde aarde, noch dingen waarvan men huivert.
          Toorts, ik wals slechts met haar.

          Men kan het gedicht niet beginnen zonder een stukje vergissing over zichzelf en over de wereld, zonder een strohalm onschuld in de eerste woorden.

          Binnen het gedicht, moet elk woord of bijna elk woord gebruikt worden in zijn oorspronkelijke betekenis. Sommigen, die zich los maken, worden meerwaardig. Er zijn er die aan amnesie lijden. De constellatie van de Solitair staat gespannen.

 

          De poëzie zal me mijn dood stelen.

          Waarom VERPULVERD GEDICHT? Omdat aan het einde van zijn reis naar het Land, na de prenatale duisternis en de aardse hardheid, de eindigheid van het gedicht licht is, een bijdrage van het zijn aan leven.

          Het gedicht weerhoudt niet wat het ontdekt; verliest het weldra in het overschrijven. Hierin schuilt zijn nieuwigheid,
zijn oneindigheid en zijn gevaar.

          Mijn stiel is een stiel van de spits.

          Men wordt geboren met de mensen, men sterft ongetroost tussen de goden.

          De aarde die het graan ontvangt is treurig. Het graan dat zoveel gaat riskeren is gelukkig.

          Er bestaat een vloek die op geen ander gelijkt. Zij knippert in een soort luiheid, heeft een innemende natuur, stelt zich een gezicht samen met geruststellende trekken. Maar wat een veerkracht, eens de schijnbeweging voorbij, wat een ren recht op het doel af! Waarschijnlijk, vermits de schaduw waar zij een stelling opricht schalks is, de streek volkomen geheim, zal zij zich onttrekken aan een benaming, zal er altijd  tijdig stiekem van doorgaan. Zij tekent binnen het zeil van de hemel van enkele helderzienden nogal schrikwekkende parabolen.

          Boeken zonder beweging. Maar boeken die zich soepel inleiden binnen onze dagen, er een klacht laten horen, de bals openen.

           Hoe mijn vrijheid vertolken, mijn verrassing, aan het einde van duizend omwegen: er is geen fundering, er is geen plafond.

          Soms vordert het silhouet van een jong paard,  van een afgelegen kind, als verkenner naar mijn voorhoofd en springt
over de balk van mijn bezorgdheid. Dan spreekt onder de bomen terug de fontein.
         
          Wij verlangen ongekend te blijven voor de nieuwsgierigheid van hen die ons liefhebben. Wij beminnen hen.

          Het licht heeft een leeftijd. De nacht heeft er geen. Maar welk was het ogenblik van deze gehele bron?

          Niet beschikken over meerdere doden, uitgesteld of ingesneeuwd. Er slechts één hebben, van goed zand. En zonder
wederopstanding.

          Laten we onze aandacht richten op de zijnden die hun bestaansmiddelen kunnen afsnijden, alhoewel er voor hen slechts een kleine of helemaal geen schuilhoek bestaat. Het afwachten graaft hen een duizelwekkende slaaploosheid. De schoonheid zet hen een hoed van bloemen op.

          Vogels die jullie tengerheid, jullie gevaarlijke slaap toevertrouwen aan een samenraapsel van rietstengels, als de koude
is gekomen, hoe gelijken wij op jullie!

          Ik bewonder de handen die vervullen, en, om te doen paren, om te binden, de vinger die de vingerhoed weigert.

          Ik geef mezelf soms de raad dat de stroom van ons bestaan weinig vatbaar is, niet alleen omdat wij haar grillig vermogen ondergaan, maar de gemakkelijke beweging van de armen en de benen die ons zouden laten gaan naar waar wij gelukkig zouden zijn , naar de begeerde oever, geliefden tegemoet die ons door hun verschil zouden verrijken, deze beweging blijft onuitgevoerd, vervalt snel tot beeld, als een parfum opgerold overheen ons denken.

          Verlangen, verlangen dat weet, wij halen slechts voordeel uit onze duisternissen, als we uitgaan van enkele waarachtige soevereiniteiten die gepaard aan onzichtbare vlammen, aan onzichtbare ketenen, ons, terwijl ze zich stap na stap, openbaren, laten schitteren.

          De schoonheid maakt haar subliem bed alleen op, vreemd is gebouwd haar roem te midden van de mensen, naast hen, maar op een afstand.
         

          Laten we het riet zaaien en de wijn op de hellingen verbouwen, aan de rand van de wonden van onze geest. Wrede
vingers, omzichtige handen, deze koddige plaats is gunstig.

          Hij die uitvindt, in tegenstelling tot hij die ontdekt, voegt aan de dingen, voegt aan de zijnden slechts maskers toe,
tussenzetsels, een brij van ijzer.

          Uiteindelijk het gehele leven, wanneer ik de zachtheid van je verliefde waarheid ontruk aan je diepte!

          Blijft bij de wolk. Waakt bij het werktuig. Al het zaaigoed wordt veracht.

          Liefdadigheid van de mensen, bepaalde schrille ochtenden. Binnen het krioelen van de delirerende lucht, stijg ik, sluit ik me op, onverslonden insect, gevolgd en achtervolgend.

          Tegenover deze wateren; harde vormen, waar alle bloemen van de groene berg in ontplofte boeketten voorbijgaan;
Huwen de Uren de goden.

          Frisse zon wiens liaan ik ben.

 


 

 

 

OVERHEEN DE WIND
AU-DESSUS DU VENT

 

 

 

 

Déclarer son nom

 

ZIJN NAAM BEKENNEN

 

    Ik was tien. De Sorgue schrijnde mij in. De zon zong de uren op de wijze wijzerplaat van de wateren. De zorgeloosheid en de pijn hadden de ijzeren haan op het dak van de huizen verzegeld en verdroegen elkaar gezamelijk. Maar welk rad
binnen het hart van het op de loer liggend kind draaide krachtiger, draaide sneller dan dat van de molen in zijn witte brand.

 

 

 


end of page

BACK TO TEXTS