DE MATINALEN

            LES MATINAUX

 

 

 

 

 

 

DE WITTE SIESTA

                     LA SIESTE BLANCHE

 

 

 

 


 

 

 

 

 

Jouvence des Névons

 

 

 

Prille Bron van Les Névons

         

                                                                    Binnen de omheining van het park zwijgt

de krekel slechts om zich beter te beamen.

 

 

In het park van Les Névons

Omgord door weilanden,

Een beek zonder bermen,

Een kind zonder vriend

Nuanceren hun verdriet

En leven beter zo.

 

In het park van Les Névons

Voegde zich een rebel

Bij de beek, bij het kind,

Bij hun luchtspiegeling tenslotte.

 

In het park van Les Névons

Dodelijk zou de zomer zijn

Zonder de stem van een krekel

Die, bij wijlen, zwijgt.

 

 


 

 

 

 

DE ZWIJGENDE INSTEMMING

              LE CONSENTIMENT TACITE

 

 

L’adolescent souffleté

 

DE BELEDIGDE ADOLESCENT

 

 

          Dezelfde slagen die hem de grond opsloegen, gooiden hem tegelijk vooruit, ver zijn leven  in, naar de toekomstige jaren waar hij als hij zou bloeden het niet langer omwille van de ongerechtigheid van één alleen zou zijn. Zoals de struik die door zijn wortels wordt opgebeurd en die zijn gekneusde twijgen drukt tegen zijn weerstandbiedende stam, daalde hij vervolgens, achteruitschredend, af in het stilzwijgen van dit kennen en in zijn onschuld. Uiteindelijk ontsnapte hij, vluchtte en werd soeverein gelukkig. Hij bereikte het weiland en het riet waarvan hij de modder liefkoosde en het droge ritselen bemerkte. Het scheen dat wat de aarde als het nobelste en het meest volhardend had voortgebracht, hem, als een vergoeding, had geadopteerd. Hij zou zo herbeginnen tot op het ogenblik, de noodzaak tot breuk was verdwenen, dat hij recht en oplettend zou staan tussen de mensen, tegelijk kwetsbaarder en sterker.

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

SCHAAMROOD VAN DE MATINALEN

        ROUGEUR DES MATINAUX

 

 

            De waarheid is persoonlijk.

            Wees verwittigd: niet iedereen is het vertrouwen waard.

 

            Omarming voor hem die, opstijgend uit zijn vermoeidheid

            en uit zijn zweet,  naar voren zal komen en me zal zeggen:

            “Ik ben gekomen om u te bedriegen.”

      

O grote zwarte dwarsstreep , op weg naar jouw dood,

waarom zou het steeds aan jou zijn om de bliksen te tonen.

 

      

I

 

          De geestestoestand van de rijzende zon is vreugde ondanks de wrede dag en de herinnering van de nacht. De tint van de bloedklonter wordt het rood van de dageraad.

 

II

 

          Wanneer men de opdracht heeft op te wekken, begint men ermee zich op te knappen aan de rivier. De eerste betovering zowel als de eerste ontsteltenis komt het zelf toe.

 

III

 

          Stel je kans, omhels je geluk en ga naar jouw risico. Door je te bekijken, zullen zij het gewoon worden.

 

IV

 

          Op het hevigste van een onweer, is er steeds een vogel om ons gerust te stellen. Het is de onbekende vogel. Hij zingt alvorens op te vliegen.

 

V

         

          Het is wijs niet samen te klonteren, maar, binnen de schepping en de gemeenschappelijke natuur, ons getal te vinden, onze wederkerigheid, onze verschillen, onze doorgang, onze waarheid, en dat weinig aan wanhoop die er de scherpe spits en de bewegende mist van is.

 

VI

 

          Ga naar de essentie: heb je geen jonge bomen nodig om opnieuw het woud te bebossen?

 

VII

 

          De intensiteit is stil. Haar beeld is het niet. (Ik hou van wat me verrukt en dan het duistere binnen mij beklemtoont.)

 

VIII

 

          Hoezeer lijdt deze wereld, om die van de mens te worden, vervaardigd te zijn tussen de vier muren van een boek! Dat zij vervolgens wordt overgeleverd aan de handen van dwazen en speculanten die haar dwingen sneller vooruit te gaan dan haar eigen beweging? Tegen elke prijs deze fataliteit bestrijden met de hulp van haar magie, binnen de vleugel van de weg openen, dat wat er plaatsheeft aan onbevredigbare omzwervingen, dat is de taak van de Matinalen. De dood is slechts een gehele en zuivere slaap met het plusteken dat hem loodst en hem helpt de stroom van het worden te splijten. Waarom je zorgen maken om je aangespoelde staat? Hou er mee op de tak voor de stam te houden en de wortel voor de leegte.

Dat is een klein begin.

 

IX

 

          Men moet over enkele vonkjes blazen om een goed licht te verkrijgen. Mooie verbrande ogen voltooien de gift.

 

X

 

          Geducht wijfje, zij draagt de razernij binnen haar beet en een dodelijke koude in haar flanken, deze kennis die, onderdeel van een edele ambitie, er in slaagt haar maat te vinden binnen onze tranen en binnen onze beteugeling. Vergis je niet, o jij onder de besten waarvan ze de arm begeert en de zwakheid bespiedt.

 

XI

 

          Tegenover elke druk om te breken met onze kansen, onze moraal, en ons te onderwerpen aan een of ander vereenvoudigend model, dat wat niets moet aan de mens, maar goed wil zijn voor ons, ons aanspoort:  “Opstandig, opstandig, opstandig...”

 

XII

 

          Het persoonlijk avontuur, het verspillend avontuur, gemeenschap van onze dageraden.

 

XIII

 

          De verovering en de onbepaalde bewaring van deze verovering die ons voorafgaat die onze schipbreuk fluistert, onze ontgoocheling afleidt.

 

XIV

 

          Wij bezitten soms deze particulariteit te schommelen terwijl we stappen.

De tijd voelt licht, de grond ligt ons gemakkelijk, onze voet keert zich slechts weldoordacht.

 

XV

 

          Wanneer we zeggen: het hart (en we zeggen het met spijt), hebben wij het over het oppokend hart  door het wonderbaarlijke en gemeenschappelijke vlees toegedekt, en dat op elk ogenblik kan ophouden te kloppen en te verzoenen.

 

XVI

 

          Tussen jouw hoogste goed en hun geringste kwaad schaamroodt de poëzie.

 

XVII

 

          De zwerm, de bliksem en de verbanning, drie dwarslijnen van eenzelfde top.

 

XVIII

 

          Zich stevig houden op de aarde, en, met liefde, een arm schenken aan een vrucht die niet aanvaard wordt door hen die je steunen, oprichten dat waarvan men denkt dat het zijn huis is, zonder medewerking van de eerste steen die altijd onvoorstelbaar zal ontbreken, dat is de vervloeking.

 

XIX

 

          Klaag er niet over dichter bij de dood te zijn dan de stervelingen.

 

XX

 

          Het schijnt dat men altijd wordt geboren halverwege het begin en het einde van de wereld. Wij groeien op in een open opstand bijna even woest tegen dat wat ons opjaagt als tegen dat wat ons tegenhoudt.

 

XXI

 

          Boots de mensen zo weinig mogelijk na in hun raadselachtige ziekte knopen te maken.

 

XXII

 

          De dood is slechts hatelijk omdat ze elk van onze vijf zintuigen afzonderlijk aantast, dan allen tegelijk. Desnoods zou het gehoor haar verwaarlozen.

 

XXIII

 

          Men bouwt slecht multiform op de vergissing. Dat is wat ons toelaat ons, bij elke vernieuwing, gelukkig te wanen.

 

XXIV

 

          Wanneer het schip zinkt, redt zijn zeilwerk zich in ons binnenste. Hij bemast op ons bloed. Zijn nieuw ongeduld spitst zich toe op andere eigenzinnige reizen. Zijn het jullie niet, die blind zijn op de zee? Jullie die wankelen binnen al dat blauw, o treurnis opgericht op de verste golven? 

 

XXV

 

          Wij zijn voorbijgangers die  aan het gaan zich toewijden, dus verwarring zaaien, onze warmte opleggen, onze uitbundigheid uitspreken. Daarom komen wij tussen! Daarom zijn we ongepast en vreemd! Onze vederdracht wijzigt daar niets aan. Ons nut is gekeerd tegen de gebruiker.

 

XXVI

 

          Ik kan wanhopen over mezelf en in Jou mijn hoop veilig stellen. Ik ben uit mijn schittering gevallen, en de door iedereen geziene dood, jullie brandmerken haar niet, varen op de muur, wandelaarster aan mijn arm.

 

XXVII

 

          Tenslotte, als je vernieldt, dat het met bruiloft-werktuigen zij.

 

 

 


 

 

Ils sont priviligiés...

 

ZIJ ZIJN BEVOORRECHT...

 

 

          Zij zijn bevoorrecht zij voor wie de zon en de wind volstaan om gek te worden,

voldoende zijn om te vernielen!

 

 

 


 

 

Pourquoi se rendre?

 

WAAROM ZICH OVERGEVEN?

 

 

Oh! Tegengekomen, gaan onze vleugels zij aan zij

En het azuur is hen trouw.

Maar wat schittert nog overheen ons?

 

De stervende weerspiegeling van onze stooutmoedigheid.

Wanneer wij hem zullen hebben doorlopen,

Zullen wij de aarde niet langer bedroeven:

Wij zullen elkaar aankijken.

 

 

 


 

 

 

 

 

Toute vie...

 

TOUTE VIE...

 

 

Elk leven dat moet duiden

maakt een gewonde af.

Ziehier het wapen,

niets,

jij, ik, omkeerbaar

dit boek,

en het raadsel

dat jij op jouw beurt zult worden

binnen de bittere gril van zand.