De herinneringen zijn jachthoorns
Waarvan het geluid sterft te midden
Wij houden ervan dat Guillaume Apollinaire
deze verzen ontving uit een jachttraditie, wreder nog dan die van Vigny, die
haar aanhoorde voor hem. Mijn grootmoeder, die met zachtzinnigheid andere
minder luidklinkende kopers handteerde _ herten en wolven, zijn helaas niet
langer getuige_ maakte het mij mogelijk, door het langzame opsparen van
muntjes, mijn eerste gedichten uit te geven. Hun titel, De Klokken op het hart,
werd me al snel hatelijk; maar eerlijk gezegd, onder de mom
Op het beslissend moment, waakten wij bij
grootmoeder, mijn zus Julia en ik, tot de uitdoving van haar kwellingen die
talrijk waren.
De engel
Met zijn brede en stomme vleugel
Niet langer uiteenvielen
Zuchten de meubels op hun sokkel
De engel had de ongelovige betekend
Dat hij het hoofd diende neer te buigen
_Dat te minste meende hij te begrijpen_
Aders en spieren puilden bonden de stervende vast
De stervende kloeg niet
De ongelovige verjoeg de engel
De tijd had geen wijzer meer
Het kloppen van het hart steeg
Tot
Zonder de lippen aan te moedigen zich te ontenigen
Geen ontknoping binnen het wachten
De
Zijn gedachten bezweken
Toch wou de spiegel hem niet
Zijn waar beeld terugschenken
( Of zijn ogen zagen het niet )
De kamer werd blauw in zijn plaats
De pluimen
Een onmenselijke nevel omwikkelde zijn handen
Hij voelde zich van dan af zonder grofheid en zonder val
Verjongd tussen de lakens van de stervende
Op het ogenblijk werd het ding eindelijk
doorzichtig en