Maurice
Blanchot
1947
Mais nous devons aussi
admettre que la littérature,
actuellement du moins
encore, constitue non seulement une
expérience propre, mais une
expérience fondamentale,
mettant tout en cause, y
compris elle-même, y compris
la dialectique (...) l'art est contestation infinie.
Maurice Blanchot
DE LITERATUUR
EN HET RECHT OP DE DOOD
Men kan vast en zeker schrijven zonder
zich af te vragen waarom men schrijft. Heeft een schrijver, die bij het
letters pennen zijn pen beschouwt, het
recht haar op te tillen om haar te zeggen: Stop jij! wat
weet je van jezelf? waartoe schrijdt je verder? Waarom bemerk je niet dat je
inkt geen sporen nalaat, dat je vrijelijk vooruitgaat maar dan in leegte, dat
je geen hindernis tegenkomt doordat je nooit je uitgangspunt hebt verlaten. En toch schrijf je: je schrijft zonder ophouden terwijl je me doet
ontdekken wat ik je dicteer en me openbaart wat ik weet; de anderen, terwijl ze
lezen, verrijken je met wat ze van je nemen en geven je wat je hen leert. Nu
heb je gedaan wat je niet hebt gedaan; wat je niet hebt geschreven is geschreven;
je bent tot het onuitwisbare veroordeeld.
Laten we aannemen dat de literatuur
aanvat op het moment dat de literatuur vraag wordt. Deze vraag verwart zich
niet met de twijfels en de scrupules van de schrijver.
Als het gebeurt dat deze zich onder het schrijven vragen stelt, dan is dat zijn
zaak. Dat hij opgeslorpt wordt door wat hij schrijft en onverschillig blijft
voor de mogelijkheid van het schrijven; dat hij zelfs aan niets denkt, dit
alles is zijn recht en zijn geluk. Maar dit blijft: éénmaal het blad beschreven
is blijft binnen dit blad de vraag aanwezig die, misschien zonder zijn
medeweten, niet ophield de schrijver tijdens het schrijven te bevragen. En nu, diep verzonken in het
werk, wachtend op de nadering van een lezer _van gelijk welke lezer, diepzinnig
of ijdel_ rust stil achter de mens die schrijft en leest diezelfde vraag, door
de tot literatuur geworden taal gericht aan de taal.
Men zou deze bezorgdheid van de
literatuur om zichzelf kunnen veroordelen als een overtolligheidje. Deze bekommernis heeft mooi praten tot de literatuur over haar
niet-zijn, haar gebrek aan ernst en haar slechte wil, toch ligt daar juist het
verwijt dat men haar maakt. Zij dient zich aan als belangrijk terwijl ze
zichzelf erkent als een object van twijfel. Zij bevestigt zich terwijl ze
zichzelf afkeurt. Zij zoekt zich; dat is meer dan ze moet! Want ze behoort
misschien tot die dingen die het verdienen dat men ze vindt doch niet dat men
ze zoekt.
De literatuur heeft misschien het
recht niet zich voor onwettig te houden. Maar, om het juist te zeggen, de vraag
die zij in zich houdt heeft geen uitstaan met haar waarde of recht. Dat het zo
moeilijk is de betekenis van deze vraag te achterhalen komt doordat deze ertoe
neigt zich te veranderen tot een proces van kunst, van haar macht en
doeleinden. De literatuur bouwt zich op haar puinhopen op: deze paradox is ons
een gemeenplaats. Maar tevens zou men moeten onderzoeken of deze in
beschuldigingstelling van de kunst, welke het meest befaamde deel van de kunst
van de laatste dertig jaar uitmaakt, niet de verschuiving, de verplaatsing
veronderstelt van een kracht die werkzaam is binnen het grootste geheim van de
werken en aldus weigert het daglicht te aanschouwen. Een werkzaamheid die zich,
naar oorsprong, erg onderscheidt van elke onderwaardering van de literaire
activiteit of Zaak.
Laat ons opmerken dat de literatuur,
als negatie van zichzelf, nooit de betekenis heeft gehad de kunst of de
kunstenaar als mystificatie of als bedrog bloot te leggen. Dat de literatuur
ongelegetimeerd zou zijn, dat in haar iets bedrieglijk is, ja, ongetwijfeld.
Maar enkelen hebben meer ontdekt: de literatuur is niet alleen ongelegetimeerd,
maar ook niets, en deze waardeloosheid maakt misschien een uitzonderlijke
wonderlijke kracht uit, op voorwaarde dat zij tot een zuivere toestand wordt
geïsoleerd. Zo handelen dat de literatuur het blootleggen van dit leeg
inwendige, dat zij zich helemaal openstelt voor haar deel van het niets om zo
haar eigen irrealiteit te realiseren, dat is één van de taken die het
surrealisme op zodanige wijze heeft nagestreefd dat het juist in haar is dat
een krachtige ontkennende beweging valt te erkennen. Maar het is niet minder
juist haar tevens de grootste scheppende ambitie toe te kennen. Want _groot
wonder_ het is zo dat de literatuur één ogenblik samenvalt met niets, en
onmiddellijk is zij alles, het al begint te bestaan.
Het komt er niet op aan de literatuur
te mishandelen maar te pogen haar te begrijpen en in
te zien waarom men haar slecht verstaat wanneer men haar veracht. Met
verwondering heeft men vastgesteld dat de vraag:”Wat is literatuur?” slechts
onbeduidende antwoorden kreeg. Maar, en dit is vreemder: in de vorm van een
dergelijke vraag verschijnt iets dat haar elke ernst ontneemt. Vragen : wat is
de poëzie? wat is de kunst? of zelfs: wat is de roman? men kan het doen en men heeft
het gedaan. Maar de literatuur, die roman en poëzie is, schijnt het element van
de onder alle ernstige dingen aanwezige leegte, waarnaar de reflectie, met de
haar eigen zwaarwichtigheid, zich niet kan omrichten zonder haar ernstig
karakter te verliezen. Als de indrukwekkende reflectie toenadering zoekt tot de
literatuur, dan wordt deze een verpulverende kracht, in staat dat wat zich
binnen haar en binnen de reflectie vermag op te dringen
te vernietigen. Als de reflectie zich verwijdert dan wordt de literatuur
opnieuw iets belangrijk, iets essentieel, belangrijker dan de filosofie, de
religie en het leven van de wereld die haar zo nauw aan het hart ligt. Maar als
de reflectie verbaast is over deze heerschappij en tot deze macht terugkeert om
haar te vragen wat zij is, dan kan zij, doordrongen zoals zij onmiddellijk
wordt door een bijtend en vluchtig element, een dergelijk ijdel, vaag en onzuiver Ding slechts minachten en zich op haar beurt in
deze verachting en ijdelheid verteren. Dit toonde althans de geschiedenis van
‘Monsieur Teste’ goed aan.
Het zou verkeerd zijn de krachtige
hedendaagse stromingen verantwoordelijk te stellen voor de vervliegende en
vluchtige kracht die de literatuur schijnt te zijn geworden. Honderdvijftig
jaar geleden leefde er een man die zich
van de kunst het hoogst mogelijk gedacht vormde _vermits hij zag hoe kunst godsdienst en
godsdienst kunst_ kan worden. Deze man (genaamd Hegel) heeft alle processen beschreven
waardoor degene die kiest literator te worden zich veroordeelt
te behoren tot het “dierlijke rijk van de geest”. Vanaf het
prilste moment, zegt Hegel ongeveer¹, wordt het individu dat schrijven wil
gebonden aan een contradictie: om te schrijven moet hij talent bezitten. Maar
op zich genomen zijn deze gaven niets. Zolang hij zich niet
heeft neergezet aan een tafel en een oeuvre heeft geschreven, is de schrijver
geen schrijver en weet hij niet of hij de vereiste capaciteiten bezit om het te
worden. Hij heeft slechts talent nadat hij heeft geschreven, maar hij
heeft er nodig om te kunnen schrijven.
¹Hegel beschouwt hier binnen deze
gedachtengang de menselijke arbeid in het algemeen.
Het dient begrepen dat de hierna volgende opmerkingen ver van de tekst van de
‘Fenomenologie’ verwijderd blijven en niet de bedoeling hebben deze te
verhelderen. Men kan deze gedachtegang lezen in de vertaling van de
‘Fenomenologie’ die Jean Hyppolite heeft gepubliceerd en haar volgen in zijn
belangrijk werk: ‘Genèse et structure de la
Phénoménologie de l’esprit de Hegel’.
Deze moeilijkheid verheldert van het
begin af aan de anomalie die de essentie vormt van de literaire activiteit.
Essentie die de schrijver moet en niet moet overwinnen. De schrijver is geen
idealistische dromer. Hij bewondert zichzelf niet binnen de intimiteit van zijn
mooie ziel. Hij duikt niet onder in de innerlijke zekerheid van zijn talenten.
Zijn talenten zet hij aan het werk, dat wil zeggen, dat hij het oeuvre dat hij
voortbrengt nodig heeft om zich van hen en van zichzelf bewust te worden. De
schrijver vindt en realiseert zich slechts doorheen zijn oeuvre. Voor zijn
oeuvre weet hij niet alleen niet wie hij is,maar is
hij ook niets. Hij bestaat slechts door het oeuvre, maar dan, hoe kan het
oeuvre bestaan?“Het individu, zegt Hegel, kan niet weten wie
hij is zolang hij zichzelf, door middel van de actie, niet bracht tot de daadwerkelijke
realiteit; het ziet er naar uit dat hij het doel van zijn activiteit niet kan
determineren voor de handeling is gesteld; en toch, moet hij, als bewustzijn,
eerst voor zich de actie hebben als een integraal onderdeel van zichzelf, dit
wil zeggen als doel.”Welnu, hetzelfde geldt voor elk nieuw oeuvre, want
alles herbegint van niets af aan. En hetzelfde geldt ook nog wanneer hij het
oeuvre deel per deel realiseert; als hij zijn werk niet in een reeds volledig opgebouwd project voor zich heeft, hoe kan
hij het dan stellen als een bewust doel van zijn bewuste handelingen? Maar als
het oeuvre reeds geheel aanwezig is binnen zijn geest
en als deze aanwezigheid het essentiële is van dat oeuvre (de woorden gelden
hier als onbelangrijk), waarom zou hij het dan nog verder realiseren? Ofwel is
het inwendig project alles wat het zal zijn en weet de
schrijver vanaf dat ogenblik alles wat hij erover kan leren. Hij zal het laten
rusten binnen zijn schemeren zonder het in woorden te vertalen, zonder het te
schrijven. Ofwel zal hij zich aan het schrijven zetten, zich ervan bewust dat
het oeuvre niet geprojecteerd maar enkel gerealiseerd mag worden, dat het
waarde, waarheid en realiteit bezit door de woorden die het ontrollen binnen de
tijd en het in de ruimte inschrijven. Schrijven, maar dan van niets af aan en
met niets in het zicht _ of volgens een uitdrukking van Hegel, als een
niet-zijn werkend in het niets.
Dit probleem zou nooit overstegen
kunnen worden indien de mens die schrijft van de oplossing ervan het recht
verwachtte om zich aan het schrijven te mogen zetten. “Juist daarom, merkt
Hegel op, moet deze, welke ook de omstandigheden zijn, onmiddellijk beginnen en
ogenblikkelijk, zonder verder te denken aan het begin, het midden en de finale,
tot de actie overgaan”. Aldus verbreekt hij de kringloop, want de
omstandigheden waarbinnen hij zich aan het schrijven zet worden in zijn ogen
hetzelfde als zijn talent. Het belang dat hij erin ontdekt én de beweging die
hem drijft, brengen hem ertoe de omstandigheden als de zijne
te erkennen. Er zijn eigen doel in te zien. Valéry heeft er ons vaak aan
herinnerd dat zijn beste werken ontstaan zijn uit een toevallig bevel en niet
uit een persoonlijke eis. Maar wat vindt hij daar zo opmerkelijk aan? Indien
hij zich aan het schrijven zet van Eupalinos,
om welke reden zou hij het hebben gedaan? Omdat hij in zijn hand een stukje
schelp heeft gehouden? Of, omdat hij op een morgen, bij het openen van een
woordenboek, in La Grande Encyclopédie de naam van Eupalinos las? Of,
omdat hij ernaar verlangde de dialoogvorm uit te proberen en toen toevallig
beschikte over een blad dat zich leende tot deze vorm? Men kan als uitgangspunt
van het grootste oeuvre de futielste omstandigheid veronderstellen; deze
nietigheid brengt niets in opspraak. De beweging waarmee de auteur er de
beslissende omstandigheid van maakt volstaat om het op te nemen binnen zijn
genie en binnen zijn oeuvre. In deze zin is het tijdschrift Architectures,
dat hem tot Eupalinos opdracht gaf, wel degelijk de vorm waarbinnen
Valéry oorspronkelijk het talent heeft gehad het te schrijven. Deze opdracht is
het begin geweest van dit talent, is dit talent zelf geweest, maar men moet
hieraan toevoegen dat de opdracht slechts een reële vorm wist aan te nemen,
slechts een werkelijk project werd door het bestaan, het talent van Valéry,
zijn gesprekken in de wereld en het belang dat hij voor een dergelijk onderwerp
reeds had betoond. Elk oeuvre is het werk van
omstandigheden: dat wil eenvoudig zeggen dat dit werk een begin heeft gehad,
dat zij in de tijd begon en dat dit moment van de tijd deel
uitmaakt van het oeuvre vermits
het oeuvre er zonder slechts een onoverkoombaar probleem zou zijn geweest;
niets meer dan de onmogelijkheid om het te schrijven.
Laten we veronderstellen dat het
oeuvre geschreven is: hiermee is de schrijver geboren. Voorheen was er niemand
om het te schrijven, nu bestaat een auteur die zich met zijn boek verwart.
Wanneer Kafka toevallig de zin:”Hij keek door het raam.” schrijft, bevindt hij
zich, zegt hij, zodanig geïnspireerd dat deze zin reeds
perfect is. Dit komt doordat hij er de auteur van is _ of beter dank zij hem is
hij auteur: van hem haalt hij zijn bestaan, hij maakte de zin en omgekeerd, hij
is hemzelf en hij is volkomen wat hij is. Vandaar zijn
vreugde, zijn onvermengde vreugde, zonder gebrek. Wat hij ook had geschreven,
“de zin is reeds volmaakt.” Dit is de diepe en vreemde
zekerheid welke de kunst zich tot doel stelt. Wat geschreven werd is noch goed
noch slecht geschreven, is noch belangrijk noch tevergeefs ijdel, noch
gedenkwaardig of tot vergeten gedoemd: het is de volmaakte beweging waardoor
wat binnenin niets was, als een noodzakelijke waar in de monumentale realiteit
van het buiten komt te staan, als een noodzakelijk trouwe vertaling, daar
datgene, wat hij vertaalt, slechts bestaat door en in hem. Men kan zeggen dat
deze zekerheid als het ware het innerlijk paradijs van
de schrijver is en dat de écriture automatique
slechts een middel was om deze gouden eeuw reëel te maken. Wat Hegel noemt: het
zuiver geluk om van de nacht van de mogelijkheid over
te gaan naar de dag van de aanwezigheid, of nog, de zekerheid dat wat verrijst
in het licht niet iets anders is dan wat s’nachts sliep. Maar wat resulteert
daaruit? Aan de schrijver, die zich geheel samenbrengt en opsluit binnen de zin
“Hij keek door het raam” mag schijnbaar geen enkele verrechtvaardiging worden
gevraagd over deze zin, vermits er voor hem niets
anders bestaat. Maar, hij, ten minste, bestaat en als
hij echt bestaat in de mate dat hij van degene die hem geschreven heeft een
schrijver maakt, dan komt dat doordat hij niet alleen zijn zin is, maar ook de
zin van andere mensen, bekwaam om hem te lezen, een universele zin.
Hier begint dan een onthutsende
beproeving. De auteur ziet de anderen zich interesseren voor zijn oeuvre maar
het belang dat zij het toedragen is een andere dan deze die het gemaakt had tot
een zuivere vertaling van zichzelf, en deze afwijkende belangstelling verandert
het werk, transformeert het in iets anders waarin hij de eerste volmaaktheid
niet herkend. Het oeuvre is voor hem verdwenen, zij wordt het werk van anderen,
het oeuvre waar zij zijn en hij niet is, een boek dat zijn waarde haalt uit
andere boeken, dat origineel is als het niet op andere lijkt, dat begrepen
wordt omdat het hun afspiegeling is. welnu, de
schrijver mag deze nieuwe stap niet verwaarlozen. Wij hebben het gezien. Hij
bestaat slechts binnen het oeuvre maar het oeuvre bestaat slechts als het wordt
tot deze vreemde publieke realiteit, gemaakt en vernietigd door de tegenstoot
van de werkelijkheid. Aldus bevindt hij zich wel degelijk binnen het oeuvre
maar het oeuvre zelf verdwijnt. Dit ogenblik van de ervaring is bijzonder
kritiek. Om haar te boven te komen doen verschillende soorten van
interpretaties hun intrede. De schrijver zou bijvoorbeeld de perfectie van het
geschreven Ding kunnen beschermen door het zover mogelijk van het uitwendig leven verwijderd te houden. Het oeuvre is dan wat
hij gedaan heeft, niet dat gekochte, gelezen boek, verbrijzeld, verheerlijkt of
vernietigd door het beloop van de wereld. Maar dan, waar begint, waar eindigt
het oeuvre? Op welk ogenblik bestaat het? Waarom het publiek maken? Als men
erin de pracht van het zuiver ik veilig moet stellen, waarom het dan kenbaar
maken aan de buitenwereld, het verwezenlijken in woorden die allen toebehoren?
Waarom het niet terugtrekken binnen een besloten en geheime intimiteit zonder
iets anders voort te brengen tenzij een leeg object en een stervende echo?
Andere oplossing. De schrijver aanvaardt zichzelf op te heffen: alleen degene
die leest telt binnen het oeuvre. De lezer maakt het oeuvre;
door het te lezen creëert hij het: hij is de werkelijke auteur, hij is het
bewustzijn en de levende substantie van het geschreven Ding; ook heeft de
auteur nog slechts één doel: schrijven voor de lezer en in hem opgaan. Poging
zonder hoop. Want de lezer wil niet weten van een voor hem geschreven, hij wil
juist een vreemd oeuvre, waar hij iets onbekend ontdekt, een verschillende
werkelijkheid, een afgescheiden geest die hem zou kunnen veranderen en die hij
in zichzelf veranderen kan. De auteur, die juist schrijft voor een publiek,
schrijft in werkelijkheid niet; het is het publiek dat schrijft en om deze
reden kan het publiek niet langer lezer zijn; de lectuur bestaat slechts
schijnbaar, in werkelijkheid is zij onbestaande. Vandaar het onbenullige van de
werken die geschreven zijn om gelezen te worden, niemand leest hen. Vandaar het
gevaar te schrijven om de anderen, om het woord van de anderen op te wekken en
hen zichzelf te laten ontdekken. De anderen willen hun eigen stem niet horen,
maar de stem van een ander, een reële, diepe stem, ergerend als de waarheid.
De schrijver kan zich niet binnen
zichzelf terugtrekken of hij moet het schrijven laten. Terwijl hij schrijft mag
hij de zuivere nacht van zijn eigen mogelijkheden niet
opofferen, want het oeuvre leeft slechts indien deze nacht _en geen andere_ dag
wordt, indien het meest singuliere, dat wat het verst verwijderd is van het
reeds geopenbaarde bestaan, zich openbaart binnen het gemeenschappelijk
bestaan. De schrijver kan weliswaar proberen zich te verrechtvaardigen door
zich het schrijven als taak op te leggen: de eenvoudige werkzaamheid van het
schrijven, dat zich van zichzelf bewust wordt, onafhankelijk van zijn
resultaten. Men herinnert zich dat dit het heilsmiddel van Valéry is. Laten we
het aannemen. Laten we aannemen dat de schrijver zich aan de kunst interesseert
als aan een zuivere techniek, aan de techniek, als aan het enig onderzoek naar
de middelen waarmee is geschreven dat wat tot dan niet geschreven was. Maar als
ze waarachtig wil zijn kan de ervaring de werkzaamheid niet scheiden van haar
resultaten. Deze resultaten staan niet vast of zijn niet definitief, maar
oneindig gevarieerd en vastgenageld binnen een onvatbare toekomst. De
schrijver, die beweert zich slechts te interesseren aan de manier waarop het
oeuvre tot stand komt, ziet zijn interesse verzinken in de wereld, zich
verliezen in de gehele geschiedenis; want het oeuvre komt ook tot stand buiten
hem om en al de gestrengheid die hij investeerde in het bewustzijn van zijn
gemediteerde werkzaamheden, van zijn overdachte retoriek, wordt weldra
opgeslorpt binnen het spel van een levende contingentie die hij onmogelijk
beheersen of zelfs waarnemen kan. Toch is zijn ervaring niet
niets; bij het schrijven beleefde hij zichzelf als een niet-zijn aan het
werk, en, na geschreven te hebben, ondervindt hij zijn oeuvre als iets dat
verdwijnt. Het oeuvre verdwijnt maar het feit van het verdwijnen blijft over,
verschijnt als essentieel, als een beweging die het oeuvre toelaat zich te
realiseren door binnen te treden in de loop van de geschiedenis, toelaat zich
te realiseren door te verdwijnen. Binnen deze ervaring is het eigenlijk doel van de schrijver niet langer het kortstondig
oeuvre maar, daar overheen, de waarheid van dat oeuvre, waarin het schrijvend
individu als de kracht van een scheppende negatie zich schijnt te verenigen met
het in beweging verkerend oeuvre, de bevestiging van deze kracht van negatie en
overstijgen.
Dit nieuw
begrip dat Hegel het Ding zelf noemt, speelt een kapitale rol binnen de
literaire onderneming. Het doet er weinig toe dat het de
meest verscheiden betekenissen aanneemt: het is de kunst die boven het oeuvre
is, het ideaal dat deze zoekt af te beelden, de Wereld zoals deze zich
ontwerpt, de waarden op het spel binnen de scheppende inspanning, de authenticiteit
van deze inspanning; het is al wat, over het oeuvre heen dat zich steeds oplost
in de dingen, het model, de essentie en de spirituele waarheid van dit oeuvre
overeind houdt. Overeind houdt zoals de vrijheid van de schrijver haar
heeft willen tonen en haar kan erkennen als de zijne.
Het doel is niet wat de schrijver maakt maar de waarheid van wat hij maakt.
Hierdoor verdient hij het een oprecht bewustzijn te worden genoemd; een
belangeloos oprecht mens. Maar, opgelet: van zodra de rechtschapenheid haar intrede
doet binnen de literatuur is het bedrog reeds daar. De
kwade trouw is hier de waarheid en hoe sterker de pretentie aanspraak maakt op
moraal en ernst, des te zekerder halen het
mystificatie en bedrog. Zeker de literatuur is de waardenwereld vermits, over de middelmatigheid van de verwezenlijkte
werken heen, voortdurend alles wat aan hen ontbreekt als hun waarheid oprijst.
Een ononderbroken sleur, een uitzonderlijk verstoppertje spelen waaraan de
schrijver zich aanpast en zijn oprecht geweten leer en eer toekomt. Dit alles
onder het voorwendsel dat wat hij zich tot doel houdt niet het kortstondig oeuvre is maar de geest van dit oeuvre, van dit
ganse oeuvre, van wat hij ook doet, van wat hij ook niet heeft kunnen doen.
Luisteren we naar dat oprecht bewustzijn; wij kennen
het, het waakt in ieder van ons. Is het werkstuk mislukt, het kent geen pijn:
het is volledig voltooid, zegt het zich, want, het falen is er de essentie van,
het verdwijnen zorgt dat het zich realiseert en het is
er gelukkig om, het gebrek aan succes vervult het met welbehagen. Maar wat
indien het boek er zelfs niet toe komt geboren te worden, een puur niet-zijn
blijft? Wel, dat is nog beter: de stilte, het niet-zijn is wel de essentie van
de literatuur, “het Ding zelf”. Het is waar, de schrijver hecht graag het grootste belang aan de
betekenis die zijn oeuvre voor hem alleen bezit. Het doet er niet toe of het
goed of slecht is, beroemd wordt of vergeten blijft.
Hij feliciteert er zich om dat de omstandigheden het verwaarlozen, hij, die slechts
schreef om de omstandigheden te ontkennen. Maar dat de
omstandigheden van een werk; ontstaan uit het toeval, voortgebracht in een
moment van lusteloosheid en walging, zonder waarde en zonder betekenis; plots
een meesterwerk maken, welk auteur zal er zich in het diepste van zijn
gedachten niet de eer voor toekennen, zal in deze roem niet zijn verdienste
zien, in deze gift van het lot niet zijn werk zelf, het werk van zijn geest in
providentieel akkoord met zijn tijd?
De schrijver is zijn eerst bedrogene
en hij bedriegt zichzelf op het ogenblik dat hij de anderen bedriegt. Laten we
naar hem luisteren; hij bevestigt nu dat het zijn functie is te schrijven en
voor anderen, dat hij, terwijl hij schrijft slechts het belang van de lezer
voor ogen heeft. Hij bevestigt dit en gelooft het. Maar, niets daarvan. Want; indien hij zich niet interesseert voor de literatuur als voor
zijn eigen werkzaamheid, dan zou hij zelf niet schrijven: hij zou niet
schrijven maar niemand. Daarom heeft hij er mooi fluiten naar, de ernst
van een ideaal tot waarborg te nemen, vaste waarden op te eisen, deze ernst is
niet zijn ernst en hij kan zich nooit vestigen waar hij zich waant.
Bijvoorbeeld: hij schrijft romans, deze romans impliceren bepaalde politieke
affirmaties zodat hij schijnt gemeen spel te spelen met deze Oorzaak. De
anderen, zij, die rechtstreeks gemeen spel spelen met deze Oorzaak, zijn dan
geneigd in hem één van de hunnen te erkennen, in zijn werk het bewijs te zien
dat deze Oorzaak wel degelijk zijn Oorzaak is; maar, zodra ze het opeisen,
zodra ze zich in deze activiteit willen mengen en zich deze willen toe-eigenen,
bemerken ze dat de schrijver geen gemeen spel speelt, dat wat hem in de Oorzaak
interesseert zijn eigen werkzaamheid is _en daar staan ze dan, gemystificeerd.
Men begrijpt het wantrouwen dat de mensen, die zich, na partij te hebben
gekozen, engageerden in een partij, koesteren voor de schrijvers die hun
zienswijze delen: want deze laatsten hebben eveneens partij gekozen voor de
literatuur en de literatuur negeert, door haar eigen beweging, tenslotte de substantie van wat ze vertegenwoordigt. Dat is
haar wet en waarheid. Als zij daar van afziet om zich definitief aan een
uitwendige waarheid vast te enten, dan houdt zij op literatuur te zijn en de
schrijver, die beweert het nog te zijn, treedt binnen in een ander aspect van
de kwade trouw. Moet men er dan van afzien voor wat dan ook interesse te
betonen, en zich het gelaat naar de muur wenden. Maar
doet men dat, de dubbelzinnigheid blijft niet minder. Vooreerst, de muur
bekijken is nog steeds een zich naar de wereld keren. Er de wereld van maken.
Wanneer een schrijver zich ingraaft in de zuiver
intimiteit van een oeuvre dat enkel hem interesseert, kan het de anderen _de
andere schrijvers en de mensen met een andere activiteit_ toeschijnen dat zij,
met hun Ding en dat werk van hen, tenminste met rust zullen worden gelaten.
Maar geenszins. Het oeuvre, gecreëerd door de eenzaat en opgesloten binnen de eenzaamheid, draagt in zich
een visie die de hele wereld interesseert, draagt in zich een impliciet oordeel
op andere werken, op de problemen van zijn tijd. Zij maakt zich tot
medeplichtige van wat ze verwaarloost, tot vijand van wat ze achterlaat, en
haar onverschilligheid mengt zich op een hypocriete wijze met de passie van
allen.
Wat opvalt, is dat, binnen de literatuur, het
bedrog en de mystificatie niet alleen onvermijdelijk zijn, maar tevens de
eerlijkheid van de schrijver, het deel van hoop en waarheid dat hij in zich
heeft, uitmaken. Vaak, deze dagen, spreekt men over de ziekte van de woorden,
men irriteert zich zelfs aan hen die erover praten, men verdenkt hen ervan de worden ziek te maken om erover te kunnen praten. Het kan.
Het vervelende is dat deze ziekte ook de gezondheid van de woorden is. Het
dubbelzinnige verscheurt ze. Gelukkige ambivalentie zonder dewelke
er geen dialoog zou zijn. Het misverstand vervalst ze? Maar dit misverstand is
de mogelijkheid van onze verstandhouding. Het lege doordringt ze? Deze leegte
is hun zin zelf. Natuurlijk, een schrijver kan zich altijd tot ideaal stellen
een kat een kat te noemen. Maar wat hij niet vermag, is zich dan op weg van
genezing en oprechtheid te heten. Hij is integendeel meer dan ooit
mystificerend want een kat is niet een kat, en degene die het bevestigt heeft
niets anders op het oog dan dit hypocriet geweld:
Rolet is een schurk.
Het bedrog heeft verschillende
oorzaken. De eerste, we komen het te zien: de literatuur bestaat uit
verschillende momenten, die zich onderscheiden en zich aan elkaar
tegenoverstellen. Deze momenten worden door de eerlijkheid, die analytisch is
omdat ze klaar wil zien, gescheiden. Voor haar blik trekken achtereenvolgens de
auteur, het oeuvre en de lezer voorbij; achtereenvolgens passeren de kunst van
het schrijven, het geschreven ding, de waarheid van dat ding of het Ding zelf;
of nog, achtereenvolgens, de schrijver zonder naam, zuiver afwezigheid bij
zichzelf, zuivere ledigheid, vervolgens de schrijver die werk is, beweging van
een realisatie die onverschillig is voor wat ze realiseert, vervolgens, de
schrijver die het resultaat is van deze arbeid en geldt door dit resultaat en
niet door deze arbeid, die even reëel is als het gemaakte ding, vervolgens, de
schrijver, niet langer bevestigd doch ontkend door dit resultaat, die, het kortstondig oeuvre redt door het ideaal ervan, de waarheid
van het oeuvre, enz...., te redden. De schrijver is niet slechts één van deze
momenten waarbij de andere uitgesloten zouden zijn, evenmin is hij hun geheel,
geconstitueerd door hun willekeurige opeenvolging, maar, de beweging die ze
samenbrengt en ze verenigd. Daaruit volgt dat; wanneer het oprecht
bewustzijn de schrijver beoordeelt door hem te immobiliseren in één van deze
vormen, bijvoorbeeld, beweert het oeuvre te veroordelen omdat het een
mislukking is; de andere oprechtheid van de schrijver protesteert in naam van
de andere ogenblikken, in naam van de zuiverheid van de kunst die in het falen
haar triomf ziet _ en zo ook kan de schrijver, telkens hij in één van zijn
aspecten in vraag wordt gesteld, slechts zichzelf erkennen als altijd anders,
en, geïnterpelleerd als auteur van een mooi oeuvre, kan hij dit oeuvre slechts
verloochenen, en, bewonderd als inspiratie en genie, kan hij zich slechts in
oefening en arbeid zien, en, gelezen door allen, zeggen: wie kan mij lezen? ik
heb niks geschreven. Deze verglijding maakt van de
schrijver een eeuwig afwezige en een onverantwoordelijke zonder geweten, maar
deze verglijding maakt ook de uitgebreidheid van zijn aanwezigheid, van zijn
risico’s en van zijn verantwoordelijkheid uit.
De moeilijkheid is dat de schrijver
niet alleen meerdere in één is, maar dat elk van zijn momenten alle andere
ontkent, alles voor zich alleen, alles voor zich alleen opeist en noch een
verzoening, noch een vergelijk verdraagt.
De
schrijver moet tegelijkertijd meerdere absolute en absoluut verschillende
bevelen beantwoorden en zijn moraliteit ontstaat uit de ontmoeting en de
oppositie van onvermurwbare vijandelijke regels.
De ene zegt hem: Je zult niet
schrijven, je zult ‘niet-zijn’ blijven, je zult de stilte behouden, je zult de
woorden ignoreren!
De andere: Ken slechts de woorden.
_Schrijf om niets te zeggen.
_Schrijf om iets te zeggen.
_Geen oeuvre,
maar de ervaring van jezelf, de kennis van wat je onbekend is.
_Een oeuvre. Een reëel oeuvre, erkend
door de anderen en belangrijk voor anderen.
_Veeg de lezer weg.
_Veeg je weg voor de lezer.
_Schrijf om waar te zijn.
_Schrijf voor de waarheid.
_Wel dan, wees leugen, want schrijven
met het oog op waarheid is schrijven wat nog niet waar is en het misschien
nooit zal zijn.
_Het doet er
niet toe, schrijf om te handelen.
_Schrijf, jij die schrik hebt om te
handelen.
_Laat in jou
de vrijheid spreken.
_Oh! Laat in jou de vrijheid geen
woord worden.
Welke wet volgen? Welke stem verkiezen?
Maar, hij moet ze alle volgen! Wat een verwarring dan; is de helderheid dan
niet zijn wet? Ja, de helderheid ook. Hij moet zich dus tegenover zichzelf
stellen, zich ontkennen terwijl hij zich bevestigt, in de gemakkelijkheid van
de dag de diepte van de nacht vinden, in de duisternis die nooit begon het
zekere licht dat niet kan eindigen. Hij moet de wereld redden en afgrond zijn,
het bestaan verrechtvaardigen en het woord verlenen aan wat niet bestaat; hij
moet zich bevinden op het einde van de tijden, in de universele volheid en hij
is de oorsprong, de geboorte van wat slechts geboren wordt. Is hij dat alles?
De literatuur is dat alles in hem. Maar is dit niet eerder wat ze zou willen
zijn, wat ze in werkelijkheid niet is? Wel dan ze is niets. Maar
is ze niets?
De literatuur is niet
niets. Zij, die haar verachten hebben ongelijk haar te veroordelen door
haar voor niets te houden. “Dit alles is slechts literatuur”. Men stelt
hierdoor de actie, de concrete tussenkomst in de wereld, tegenover het geschreven
woord, dat een passieve manifestatie aan de oppervlak
van de wereld zou zijn. Zij, die aan de zijde van de actie staan, verwerpen de
literatuur die niet handelt. Zij, die de passie zoeken, worden schrijver om
niet te handelen. Maar dit is een abusievelijk beminnen en een abusievelijk
veroordelen. Indien men in het werk de kracht van de geschiedenis ziet die de
mens verandert door de wereld te veranderen, dan moet men de activiteit van de
schrijver als de vorm bij uitstek van arbeid erkennen. Wat doet de mens die
werkt? Hij produceert een object. Dit object is de verwerkelijking van een, tot
dan, irreëel project; het is de bevestiging van een realiteit die verschilt van
de elementen die haar samenstellen, én, de toekomst van nieuwe objecten in de
mate dat zij het instrument wordt dat geschikt zal zijn om nieuwe objecten te
maken. Bijvoorbeeld, ik heb het project me te verwarmen. Zolang dit project
slechts een verlangen is kan ik het in alle richtingen keren, het verwarmt me
niet. Maar, zie, hier maak ik een kachel: de kachel verandert het lege ideaal,
dat mijn verlangen was, in waarheid; zij bevestigt het door wat er eerder was
te ontkennen; eerder, had ik mij stenen en gietijzer, nu zijn er geen stenen
meer, is er geen gietijzer meer, maar het resultaat van deze gewijzigde,
d.w.z., door arbeid ontkende en vernietigde elementen. Met dit object
is de wereld veranderd. Des te meer veranderd daar deze kachel me zal toelaten
andere objecten te vervaardigen die op hun beurt, de voorbije toestand van de
wereld zullen ontkennen en er de toekomst van zullen voorbereiden. Deze
objecten die ik, door de staat van de dingen te wijzigen, heb voortgebracht,
zullen mij op hun beurt veranderen; het idee van de warmte is niets, maar de
reële warmte zal van mijn bestaan een ander bestaan maken, en al wat ik
voortaan, dank zij die warmte, aan nieuws zal kunnen verrichten zal nog eens
van mij eimand anders maken. Alzo zeggen Hegel en
Marx, vormt zich de geschiedenis langsheen de arbeid waardoor het zijn in zijn
ontkenning gerealiseerd en op het einde van de negatie geopenbaard wordt.¹
¹Deze interpretatie van Hegel wordt
door Alexandre Kojève uiteengezet in ‘Introduction à la lecture de Hegel’,
(lessen over de Fenomenologie van de Geest, verzameld en gepubliceerd door
Raymond Queneau)
Maar wat doet de schrijver die
schrijft? Al wat een mens die werkt, doet, maar dan in verheven mate. Ook hij
brengt iets voort: het is hét werkstuk bij uitstek. Dit werkstuk brengt hij
voort door natuurlijke en menselijke realiteiten te wijzigen. Hij schrijft,
vertrekkend van een bepaalde taaltoestand, van een bepaalde cultuurvorm, van
bepaalde boeken, vertrekkend ook van bepaalde objectieve elementen, inkt,
papier, drukwerk. Om te schrijven moet hij de taal zoals ze is vernietigen en
haar realiseren onder een andere vorm, de boeken negeren door van wat ze niet
zijn een nieuw boek te maken. Dit nieuw boek is
ongetwijfeld werkelijk: men ziet het, men raakt het aan, men kan het zelf
lezen. In ieder geval, het is niet niets. Alvorens het
te schrijven, had ik er een idee van, op zijn minst bezat ik het project het te
schrijven, maar tussen het idee en het boekdeel, waarin het zich realiseert,
vind ik hetzelfde verschil terug als tussen het verlangen naar warmte en de
kachel die me warmt. Het geschreven boekdeel is voor mij een uitzonderlijke,
onvoorzienbare nieuwigheid, zodanig dat ik mij onmogelijk kan voorstellen wat
het zal zijn zonder het te schrijven. Daardoor verschijnt het mij als een
ervaring waarvan de uitwerkingen, hoe bewust zij ook zijn voortgebracht, mij
ontsnappen, en, ten overstaan van dewelke, ik mezelf
om de volgende reden niet als dezelfde zal kunnen terugvinden: door de
aanwezigheid van iets word ik anders. Maar de hierna volgende reden is nog
beslissender: dit ander ding_het boek_ waarvan ik slechts een idee bezat en dat
niets me toeliet het op voorhand te kennen, dat is
juist ikzelf die anders geworden ben.
Het boek, het geschreven ding, treedt
binnen in de wereld waar het zijn werk van verandering en negatie voltooit. Ook
het boek is de toekomst van vele dingen, niet alleen van boeken; maar, door de
projecten die eruit kunnen ontstaan, door de ondernemingen die het begunstigt,
door het geheel van de wereld waarvan het de veranderde weerschijn is, is het
een oneindige bron van nieuwe werkelijkheden van waaruit het bestaan zal worden
wat het niet was.
Is het boek dan niets? Waarom kan men
de daad van het vervaardigen van een kachel doorgaan voor de arbeid die vorm
geeft aan de geschiedenis en er de gangmaker van wordt, terwijl de daad van het
schrijven verschijnt als pure passiviteit in de marge van de geschiedenis, die
de geschiedenis, ondanks zichzelf, verder meesleept? De vraag schijnt
onredelijk, maar toch, zij weegt als een hinderlijk gewicht op de schrijver. Op
het eerste zicht meent men dat de vormende kracht van de geschreven werken
onvergelijkbaar is; men meent ook dat de schrijver, omdat hij handelt zonder
maat, zonder limieten, bekwamer is te handelen dan wie anders ook: wij weten
het ( of wij houden eraan te geloven), één oeuvre kan de loop van de
geschiedenis veranderen. Maar juist dit zet ons tot reflectie aan. De invloed
van de auteurs is zeer groot, zij overstijgt op oneindige wijze hun daad, zij
overstijgt haar zozeer dat wat er aan reëel in deze daad aanwezig is niet in
deze invloed overgaat en dat deze invloed in dit geringe aan realiteit de ware
substantie niet vindt die noodzakelijk zou zijn voor haar uitgebreidheid. Wat
kan de auteur? Alles, eerst alles: hij ligt geketend, de slavernij verdrukt
hem, maar, hij vindt enige vrije ogenblikken om te schrijven, en, zie, hij is
vrij om een wereld te scheppen zonder slaaf, een wereld waar de slaaf, meester
geworden, een nieuwe wet sticht; alzo schrijvend
verkrijgt de gekluisterde mens onmiddellijk de vrijheid voor zichzelf en voor
de wereld: hij ontkent al wat hij is om te worden al wat hij niet is. In deze
zin is het oeuvre een ontzaglijke daad, de grootste en de belangrijkste die er
is. Maar laten we nauwer toezien. In de mate dat hij zich
onmiddellijk de vrijheid gunt die hij niet heeft, verwaarloost hij de ware
omstandigheden van zijn bevrijding, hij verwaarloost wat aan werkelijkheid moet
worden gedaan opdat het abstracte idee van vrijheid zich realiseert. Zijn
negatie is totaal. Ze ontkent niet alleen zijn situatie van gemuurde mens maar
ze stapt over de tijd heen die in deze muur de bressen moet openen, ze negeert
de negatie van de tijd, ze negeert de negatie van de limieten. Daarom negeert
ze tenslotte niets en het oeuvre waarin ze zich
realiseert is zelf niet een werkelijk negatieve, destructieve en
transformerende daad, maar, realiseert veeleer de onmacht tot ontkennen, de
weigering in de wereld tussen te komen; en verandert de vrijheid, die men langs
de wegen van de tijd zou moeten incarneren in de dingen, in een ideaal boven de
tijd, leeg en ontoegankelijk.
De invloed van de schrijver is
verbonden aan het voorrecht meester te zijn van alles. Maar, hij is slechts
meester van alles, hij bezit slechts het oneindige, het eindige ontbreekt hem,
de limiet ontgaat. Welnu, wanneer de schrijver door dat reële ding voort te
brengen dat hij boek noemt, wel degelijk reëel handelt, dan discrediteert
hij, door het feit dat men niet handelt in het oneindige, dat men niets
verwezenlijkt in het onbeperkte, met deze daad elke daad, omdat hij de wereld
van de gedetermineerde dingen en van de gedefinieerde arbeid vervangt door een
wereld waar alles onmiddellijk gegeven is en waar niets anders te doen is dan
te genieten van de lectuur ervan.
In het algemeen
verschijnt de schrijver als overgeleverd aan de inactiviteit omdat hij de meester
is van het imaginaire, waarin, diegenen die hem navolgen, de problemen van hun
ware leven uit het oog verliezen. Maar het gevaar dat hij vertegenwoordigt is
heel wat ernstiger. De waarheid is dat hij de actie ruïneert niet doordat hij
beschikt over het irreële maar omdat hij ons de gehele realiteit ter
beschikking stelt. De irrealiteit begint met het al. Het imaginaire is niet een
vreemd gebied gesitueerd boven de wereld, het is de
wereld zelf, als geheel, als al. Daarom is het niet in de wereld want het is de
wereld, gevat en gerealiseerd in zijn geheel door de globale negatie, het
buiten spel zetten, de afwezigheid en de verwerkelijking van deze afwezigheid
van alle particuliere realiteiten die er zich bevinden. Hiermee begint de
literaire schepping en schenkt ze zichzelf, wanneer ze tot elk ding en tot elk
zijn terugkeert, de illusie deze te creëren, want zij ziet ze nu en benoemt ze nu
vanuit het al, vanuit de afwezigheid van alles, dit wil zeggen vanuit het
niets.
De, als zuivere verbeelding betitelde
literatuur heeft zeker gevaren. vooreerst, zij is geen
zuivere verbeelding. Zij waant zich verwijderd van de alledaagse realiteiten en
van de actuele gebeurtenissen, maar zij heeft zich er juist van verwijderd, zij
is deze afstand, deze afstandname van het alledaagse, die noodzakelijk er
rekening mee houdt en het beschrijft als verwijdering, als zuivere vreemheid.
Bovendien, maakt zij van dit isolement een absolute waarde, en deze
verwijdering schijnt dan de bron van algemeen begrip, de macht om alles te
vatten en alles onmiddellijk te bereiken. Althans, voor de mensen die er in die
mate de betovering van ondergaan dat zij hun leven, dat slechts beperkt begrip
is, en de tijd, die slechts een gewurgd perspectief is, verlaten. Dit alles is
de leugen van een verzinsel. Maar uiteindelijk heeft een dergelijke literatuur
het voordeel dat zij ons niet misbruikt: zij biedt zich aan als verbeeld, zij
doet diegenen slapen die de slaap zoeken.
Heel wat mystificerende is de
literatuur van de actie. Deze roept de mensen op om iets te doen. maar indien ze nog authentische literatuur wil zijn, beeldt
ze hen, wat te doen valt, dat gedetermineerd en concreet doel, af, vertrekkend
vanuit een wereld waar een dergelijke actie terugwijst naar de irrealiteit van
een abstracte en absolute waarde. Het “iets te doen” zoals het kan worden uitgedrukt in een literair oeuvre,
is nooit meer dan een “alles is te doen”, ofwel, omdat het zich bevestigt als
dit al, dat wil zeggen als absolute waarde, ofwel, omdat het om zich te verrechtvaardigen
en om zich aan te bevelen, nood heeft aan dit al binnen hetwelk
het verdwijnt. De taal van de schrijver is, zelfs revolutionair niet de taal
van het geweld. Hij beveelt niet, hij stelt voor, en hij stelt voor niet door
wat hij toont aanwezig te stellen, maar door het te tonen achter dit al, als de
zin en de afwezigheid van dit al. Hieruit volgt, ofwel dat de oproep van de
auteur aan de lezer slechts een lege oproep is die slechts de inspanning
uitdrukt van een mens zonder wereld om de wereld terug in te gaan door zich
discreet op te houden aan de periferie _ of dat het “iets te doen”, dat slechts
hernomen kan worden vanuit de absolute waarden, de lezer net toeschijnt als dat
wat niet gedaan kan worden, of, als wat om te doen, noch arbeid, noch actie
vraagt.
Men weet het, de voornaamste
verleidingen van de schrijver heten: stoïcisme, scepticisme, ongelukkig
bewustzijn. Dit zijn de denkwijzen die de schrijver aanneemt omwille van
redenen die hij doordacht acht, maar die enkel de literatuur in hem bedenkt. Stoïcijns: hij is de mens van het heelal; welk slechts op papier
bestaat, en, gevangen of ellendig, stoïcijns verdraagt hij zijn bestaan omdat
hij kan schrijven en dat de minuut van vrijheid waarin hij schrijft voldoende
is om hem machtig en vrij te maken, om hem te schenken, niet de eigen vrijheid
waarom hij spot, maar de universele. Nihilist want hij ontkent door de
methodische arbeid die langzaam elk ding verandert niet alleen dit of dat, maar
hij ontkent alles, ineens, en hij kan slechts alles ontkennen omdat hij slechts
met alles te maken heeft. Ongelukkig bewustzijn! Men ziet het maar al te zeer;
dit ongeluk is zijn grootste talent als hij slechts schrijver is doordat het
bewustzijn verscheurd wordt door onverzoenbare momenten die heten: inspiratie, _
die alle arbeid negeert; arbeid,_ die
het niet-zijn van het genie negeert; kortstondig oeuvre,_ waarin hij zich
verwezenlijkt terwijl hij zich negeert; oeuvre als al_ waarin hij zich terugtrekt en de
anderen al wat hij zich en hen schijnbaar geeft, ontneemt. Maar er bestaat een
andere verleiding.
Erkennen we bij de schrijver de
beweging, die, zonder oponthoud en bijna zonder tussenkomst gaat van niets naar
alles. Bemerken we in hem de negatie die zich niet neerlegt bij de irrealiteit
waarin ze zich beweegt omdat ze zich wil realiseren en ze dat slechts kan door
iets reëel, iets reëler dan woorden, iets echter dan het geïsoleerde individu waarover ze
beschikt, te ontkennen. Om hem er toe te brengen te ontwerpen hoe hij, terwijl
hij schrijft, dit bestaan zelf kan worden, houdt zij niet op hem tot het leven
van de wereld en tot het openbaar bestaan te drijven. Dan
ontmoet hij in de geschiedenis die beslissende ogenblikken waarop alles in
vraag schijnt gesteld, waar wet, gebod, Staat, bovenwereld, de wereld van
gisteren, alles, zonder inspanning, zonder arbeid, stort in het niet-zijn. De
mens weet dat hij de geschiedenis niet heeft verlaten maar de geschiedenis is
nu het lege, zij is het lege dat zich realiseert, zij is de absolute vrijheid
die gebeurtenis is geworden. Dergelijk tijdperken heet men Revolutie. Op dat
ogenblik beweert de vrijheid zich te realiseren onder de “onmiddellijke vorm”
van: “alles” is mogelijk, alles kan worden gedaan. Fabelachtig ogenblik waartoe
degene die het heeft gekend, doordat hij de geschiedenis heeft gekend als zijn
eigen geschiedenis en zijn vrijheid als de universele vrijheid, niet geheel kan terugkeren. Inderdaad, fabelachtige
momenten: erin sprak de fabel, erin werd het woord van de fabel actie. Niets is
meer gerechtvaardigd dan dat ze de schrijver bekoren. De revolutionaire actie
is op alle analoog aan de actie zoals de literatuur haar incarneert: overgang
van niets naar alles, bevestiging van het absolute als gebeurtenis en van elke
gebeurtenis als absoluut. De revolutionaire actie ontketent zich met dezelfde
kracht en gemak als de schrijver die, om de wereld te veranderen, slechts
woorden aanéén heeft te lijmen. Zij bezit eveneens dezelfde eis naar zuiverheid
en, de zekerheid, dat alles wat ze doet absoluut geldt, zij is niet een
willekeurige actie met betrekking tot één of ander, wenselijk en eerbaar
doeleinde maar zij is de laatste finaliteit, de laatste daad. Deze laatste daad
is de vrijheid en er blijft nog slechts de keuze over tussen de vrijheid en het
niets. Daarom is het enig verdraagzaam woord dan: “de
vrijheid of de dood”. Alzo verschijnt de Terreur. Elk
mens houdt op een individu te zijn die werkt aan een gedetermineerde daad, hier
handelend en nu alleen: hij is de universele vrijheid die noch elders noch morgen kent, noch arbeid, noch oeuvre. In
dergelijke ogenblikken heeft niemand nog iets te doen, want alles is gedaan.
Niemand heeft nog recht op een privaat leven, alles is openbaar, en de meest
schuldige mens is de verdachte, diegene die een geheim heeft, die een gedachte,
een intimiteit, voor zich alleen houdt. en
tenslotte niemand heeft nog recht op
zijn leven , op zijn daadwerkelijk en fysisch onderscheiden bestaan. Aldus de
zin van de Terreur. Elke burger heeft, om het zo te zeggen,
recht op de dood: de dood is niet zijn veroordeling, het is de essentie van
zijn recht; hij wordt niet opgeruimd als verdachte, maar hij heeft de dood
nodig om zich te affirmeren als burger en het is in het verdwijnen van de dood
dat de vrijheid hem geboren doet worden. Hierin heeft de Franse
revolutie een meer zichtbare betekenis dan alle andere. De dood van de Terreur
is er niet alleen de enige straf voor de oproerige, maar, geworden tot het
onvermijdelijke, als door allen gewenste, vervaldag, schijnt zij het werk van
de vrijheid zelf in vrije mensen. Als het mes valt op Saint-Just en Robespierre
raakt het in zekere zin niemand. De deugd van Robespierre,
de gestrengheid van Saint-Just zijn niets anders dan hun reeds
opgeruimd bestaan, de geanticipeerde aanwezigheid van hun dood, de beslissing
de vrijheid zich volledig in zich te laten bevestigen en door hun universeel
karakter de eigen realiteit van hun leven te ontkennen. Misschien laten zij de
Terreur heersen. Maar de Terreur die zij incarneren komt niet van de
terechtstellingen die zij bevolen, maar van de dood die zij zichzelf gaven. Zij
dragen er de sporen van. Zij denken en beslissen met de dood op de schouders;
en daarom is hun denken koud, onverbiddelijk, het bezit de vrijheid van een
afgehouwen hoofd. De terroristen zijn diegenen die, doordat ze de absolute
vrijheid willen, weten dat ze daardoor hun dood willen. Die zich zowel bewust
zijn van deze vrijheid die ze bevestigen, als van hun dood die ze
bewerkstelligen en die, bijgevolg, levend al, handelen, niet als levende mensen
te midden van levenden, maar als zijnden aan wie het zijn
ontzegd is, als universele gedachten, pure abstracties die van buiten de
geschiedenis uit, in naam van de gehele geschiedenis, oordelen en
beslissen.
De gebeurtenis zelf van de dood is van
geen belang meer. Tijdens de Terreur sterven de individuen en dit is
onbeduidend. “Het is”, zegt Hegel in een beroemde zin, “de koudste,
platvloerste dood zonder meer betekenis dan het afsnijden van een kool of het
drinken van een slok water”. Waarom? Is de dood niet de verwezenlijking van de
vrijheid, d.w.z., het ogenblik dat het rijkst is aan betekenis? Maar zij is ook
slechts het leeg punt van deze vrijheid, de openbaring van het feit dat een
dergelijke vrijheid steeds nog slechts abstract, ideaal (literair) is,
gebrekkig en platvloers. Iedereen sterft, maar iedereen leeft en naar waarheid
betekent dat ook dat iedereen dood is. Maar het “is dood”, is ook de positieve
kant van de vrijheid die wereld geworden is: het zijn verraadt er zich als
absoluut. “Sterven”, daarentegen, is zuivere
onbeduidendheid, een gebeurtenis zonder concrete realiteit, die elke waarde van
persoonlijk en inwendig drama heeft verloren doordat er geen inwendige meer is.
Het is het ogenblik waarop het “ik sterf” voor mij die sterft een banaliteit
betekent waarmee geen rekening dient te worden gehouden: in de vrije wereld en
in die ogenblikken waarop de vrijheid een absoluut verschijnen is, is sterven
zonder belang en de dood zonder diepte. Dat heeft de Terreur en de revolutie _
niet de oorlog_ ons
geleerd.
De schrijver herkent zich in de
revolutie. Zij trekt hem aan omdat ze de tijd is waar de literatuur
geschiedenis wordt. Zij is haar waarheid. Elke schrijver die, door het loutere
feit van het schrijven er niet tot denken wordt gebracht: ik ben de revolutie,
alleen de vrijheid doet mij schrijven, schrijft in feite niet. In 1793, is er
een mens die zich volkomen met de revolutie en de Terreur identificeert. Het is
een aristocraat, die gehecht is aan de kantelen van zijn middeleeuws kasteel,
verdraagzaam, eerder bedeesd en overdreven beleefd: maar hij schrijft, hij doet
niets dan schrijven, en de vrijheid heeft vrij spel hem terug te plaatsen in de
Bastille waar ze hem uit heeft gehaald, hij is degene die haar het best
begrijpt doordat hij begrijpt dat zij het ogenblik is waarop de meest
afwijkende passies zich kunnen veranderen in een politieke realiteit, het
daglicht mogen zien, wet zijn. Hij is ook degene voor wie de dood de grootste
passie en laagste platheid is, die hoofden houwt zoals men kolen hakt, met zo’n onverschilligheid dat niets irreëler is dan de dood die
hij schenkt, en toch, niemand heeft intenser gevoeld dat de soevereiniteit in
de dood lag, dat de vrijheid de dood was. Sade is de schrijver bij uitstek, hij
heeft er alle tegenspraken van verenigd. Alleen: van alle mensen de eenzaamste,
en niettemin, absoluut vrij, theoreticus en symbool van absolute vrijheid. Hij
schrijft een onmetelijk oeuvre, en dit oeuvre bestaat voor niemand. Onbekend,
maar wat hij afbeeldt heeft voor allen een onmiddellijke betekenis. Niets meer
dan een schrijver, en hij stelt het leven voor, opgetild tot passie, tot passie
die wreedheid en waanzin is geworden. Van het meest singuliere, het meest
verborgene en het meest van gemeenschapszin beroofde gevoel maakt hij een
universele affirmatie, de realiteit van een openbaar woord dat, overgeleverd
aan de geschiedenis, een geoorloofde verklaring wordt van de menselijke
bestaanstoestand binnen zijn geheel. Tenslotte is hij
de negatie zelf: zijn oeuvre is slechts het werk van de negatie, zijn ervaring
de beweging van een hardnekkige, tot bloedens toe doorgedreven negatie, die de
anderen ontkent, die god ontkent, die de natuur ontkent en die, in deze
onophoudelijk doorlopen cirkel, van zichzelf geniet als van de absolute
soevereiniteit.
In de revolutie beschouwt de
literatuur zichzelf, zij rechtvaardigt er zich, en indien men haar Terreur
heette, dan komt dit doordat ze wel degelijk dit historisch
moment als ideaal heeft dat “het leven de dood draagt en zich standhoudt in de
dood zelf” om van haar de mogelijkheid en de waarheid van het woord te
verkrijgen. Dit is de vraag die zich zoekt te verwezenlijken in de literatuur
en die haar zin is. De literatuur is verbonden aan de taal. De taal is
tegelijkertijd geruststellend en verontrustend. Wanneer wij spreken maken wij
ons meester van de dingen met een gemakkelijkheid die ons bevredigt. Ik zeg:
die vrouw, en onmiddellijk beschik ik over haar, ik verwijder haar, breng ze
nader terug, zij is alles wat ik verlang dat ze is, zij wordt het oord van de
meest verrassende transformaties en acties: het woord is de gemakkelijkheid en
de veiligheid van het leven. Met een object zonder naam kunnen we niets doen.
De primitieve mens weet dat het bezit van woorden hem macht heeft over de
dingen, maar tussen de woorden en de wereld zijn de relaties zo volledig dat de
hantering van de taal even moeilijk en gevaarlijk blijft als de omgang met de
zijnden, de naam trad niet buiten het ding, hij is er het inwendige van dat op
een gevaarlijke manier wijze wordt blootgesteld en niettemin de verborgen
intimiteit van het ding blijft: deze is dus nog steeds niet benoemd. Hoe
beschaafder de mens wordt, des te meer behandelt hij de woorden met onschuld en
koelbloedigheid. Dit komt doordat de woorden elke band met wat ze aanwijzen
hebben verloren. Maar deze afwezigheid van banden is geen gebrek, en indien het
een gebrek is, dan haalt de taal enkel daar haar waarde vandaan, in die zin dat
de wiskundige taal, die gestreng tot zichzelf spreekt en met geen enkel zijnde
overeenstemt, van alle talen de volmaaktste is.
Ik zeg: deze vrouw. Hölderlin,
Mallarmé en, in het algemeen al degenen waarvan de poëzie de essentie van de
poëzie als thema heeft, hebben de daad van het benoemen als een verontrustend wonder
gezien. Het woord geeft me wat het betekent maar eerst supprimeert
het het. Opdat ik zou kunnen zeggen: deze vrouw, is het op een of andere manier
noodzakelijk dat ik haar, haar realiteit van vlees en bloed ontneem, dat ik
haar afwezig maak en haar vernietig. Het woord heeft me het zijn, maar het
geeft het me ontdaan van zijn. Het is de afwezigheid van dit zijn, dit niet-zijn,
dat wat ervan overblijft wanneer het het zijn verloren heeft, dat wil zeggen,
dit wil zeggen het louter feit dat het niet is. Vanuit
dit standpunt is spreken een vreemd recht. Hegel, hierin de vriend en de nabije
van Hölderin, heeft in een tekst die aan de fenomenologie voorafgaat
geschreven: “De eerste daad waardoor Adam zich meester maakte over de dieren
was het geven van een naam, dat wil zeggen hij
vernietigde hen in hun bestaan (als bestaanden)¹.” Hegel wil zeggen dat vanaf
dat ogenblik de kat ophoudt een louter reële kat te zijn om ook nog idee te
worden. De zin van het woord eist dus, als voorwoord op elk woord, een soort
onmetelijke massamoord, een voorafgaande zondvloed die elke schepping in een
totale zee onderdompelt. God heeft alle zijnden geschapen maar de mens moest
hen vernietigen. Dan kregen ze voor hem betekenis en creëerde
hij ze op zijn beurt, vertrekkend bij deze dood waarin ze waren verdwenen;
echter, in plaats van de zijnden of, zoals men zegt bestaanden, was er niets
meer dan een “van (over) het zijn”, en de mens werd veroordeeld niets meer te
kunnen benaderen en te kunnen beleven tenzij langs de zin die hij moest doen
geboren worden. Hij zag zich opgesloten binnen de dag, en hij wist dat
deze dag niet eindigen kon want het einde zelf was licht, vermits
uit het einde van de zijnden hun betekenis voortkomt, die het zijn is.
¹Essays
verzameld onder de naam ‘Système de 1803-1804’. In ‘Introduction à la lecture
de Hegel’ toont A.Kojève, bij het interpreteren van een passage uit ‘De
Fenomenologie’ op een opmerkelijke wijze aan hoe voor Hegel het begrijpen een equivalent is voor moord.
Ongetwijfeld doodt mijn taal niemand.
Toch is, wanneer ik zeg “deze vrouw”, de reële dood aangekondigd en reeds aanwezig in mijn taal; mijn taal wil zeggen dat deze
persoon hier, die daar is, nu, van zichzelf gescheiden kan worden, onttrokken
aan haar bestaan en aan haar aanwezigheid; mijn taal betekent wezenlijk de
mogelijkheid van deze destructie; zij is op elk moment een vastberaden
toespeling op zo’n gebeuren. Mijn taal doodt niemand. maar
indien deze vrouw niet werkelijk in staat was te sterven, indien zij niet op
elk ogenblik van haar leven bedreigd was door de dood, niet aan haar gebonden
was en verenigd met haar door een wezensband, dan zou ik deze ideale negatie,
deze uitgestelde moord die mijn taal is, niet kunnen uitvoeren.
Het is dus heel juist te zeggen:
wanneer ik spreek spreekt de dood in mij. Mijn woord is de verwittiging dat de
dood op dit eigenste ogenblik in de wereld is losgelaten, dat zij plotseling
opduikt tussen ik die spreek en het zijn dat ik
interpelleer; zij is tussen ons als de afstand die ons scheidt maar, deze
afstand is ook wat ons verhindert gescheiden te zijn daar in haar de voorwaarde
bestaat voor elke verstandhouding. Alleen de dood laat toe te
vatten wat ik wil bereiken; zij is binnen de woorden de enige mogelijkheid van
hun zin. Zonder de dood zou alles ineenstorten in het absurde en in het
niet-zijn.
Uit deze situatie vloeien
verschillende gevolgen voort. Het is duidelijk dat in mij de macht tot spreken
ook verbonden is aan mijn afwezigheid van zijn. Ik benoem me, het is alsof ik
mijn lijkbede uitsprak: ik scheid van mezelf af, ik ben niet langer mijn
aanwezigheid of mijn werkelijkheid, maar de objectieve, onpersoonlijke
aanwezigheid van mijn naam, die me overstijgt en waarvan de versteende
immobiliteit voor mij juist dienst doet als een grafsteen die op de leegte
drukt. Als ik spreek ontken ik het
bestaan van wat ik zeg: indien mijn woord het zijn reveleert in zijn
niet-bestaan dan bevestigt het van deze openbaring dat ze gebeurt vanaf het niet-bestaan van degene die
haar doet, vanaf zijn vermogen zich van zichzelf te verwijderen, anders te zijn
dan zijn zijn. Daarom, is het, opdat de echte taal begint, nodig dat het leven
dat deze taal zal dragen de ervaring van zijn niet-zijn heeft meegemaakt, dat
dit leven “gebeefd” heeft “in zijn diepten” en dat alles wat erin vast was en
stevig, gewankeld ligt. De taal begint slechts met de leegte; geen enkele
volheid, geen enkele zekerheid spreekt tot wie zich uitdrukt, iets essentiëels
ontbreekt. De negatie is verbonden aan de taal. In het begin spreek ik niet om
iets te zeggen maar is er een niets dat vraagt te spreken. Niets
spreekt, niets vindt zijn zijn in het woord en het zijn van het woord is niets.
Deze formule legt uit waarom dit het ideaal van de literatuur heeft
kunnen zijn: niets zeggen, spreken om niets te zeggen.( Het gedicht: als een
kromme in een schets) Dit is niet de mijmering van een verwend nihilisme. De taal
bemerkt dat zij haar zin niet ontleend aan hetgeen
bestaat maar aan de verwijdering ten opzichte van dat bestaan; zij ondergaat de
bekoring zich te houden aan deze verwijdering, de negatie te willen bereiken en
van niets alles te maken. Als men over de dingen spreekt enkel door te zeggen
waardoor ze niet zijn, wel, dat niets zeggen is dan de enige hoop er alles van
te zeggen.
Een van nature uit ongemakkelijke
hoop. De gangbare taal noemt een kat en kat, alsof de levende kat en haar naam
identisch zijn, alsof het
feit de kat te benoemen er niet uit bestaat van haar slechts haar afwezigheid,
dat wat ze niet is, te weerhouden. Evenwel heeft de
gangbare taal voor het ogenblik hierin gelijk dat het woord, indien het het
bestaan van wat het aanwijst, uitsluit, zich er toch nog tot verhoudt langs het
niet-bestaan dat de essentie van dat ding is geworden. Een kat benoemen is, als
men wil , er een niet-kat van maken, een kat die opgehouden heeft te bestaan;
maar voor evenveel kan men er niet een hond , zelf
niet een niet-hond van maken. Dit is het eerste verschil tussen de gewone en de
lteraire taal. De eerste neemt aan dat wanneer
het niet-bestaan van de kat éénmaal in het woord is overgegaan de kat zelf
tenvolle en zonder twijfel herrijst als haar idee (haar zijn) en als haar zin:
het woord herstelt op het vlak van het zijn (de idee) gans de zekerheid die zij
bezat op het vlak van het bestaan. En deze zekerheid is zelfs veel groter; de
dingen kunnen zich desnoods veranderen, het komt voor dat zij ophouden te zijn
wat ze zijn, ze blijken vijandig, onbruikbaar, ontoegankelijk; maar het zijn
van de dingen, hun idee, verandert niet: de idee is definitief, zeker, men heet
haar zelfs eeuwig. Laten we dus de woorden vasthouden zonder op de dingen terug
te keren. Laten we ze niet loslaten, laten we ze niet ziek wanen. Dan zullen we
gerust zijn.
De gewone taal heeft ongetwijfeld
gelijk, de rust eist deze prijs. Maar de literaire taal bestaat uit onrust,
contradicties. Haar positie is weinig vast en weinig stevig. Enerzijds
interesseert ze zich slechts voor de zin, de afwezigheid van het ding, en deze
afwezigheid zou ze absoluut in zich en voor zich willen bereiken om alzo, in zijn geheel, de onbepaalde beweging van het
begrijpen te bereiken. Daarenboven bemerkt ze dat het woord kat niet enkel het
niet-bestaan van de kat is, maar het niet-bestaan is dat geworden is woord, dat
wil zeggen, een volmaakt gedetermineerde en objectieve realiteit. Zij erkent
daarin een moeilijkheid en zelfs een leugen. Hoe kan zij hopen haar opdracht te
hebben vervuld als zij de onwerkelijkheid van het ding heeft overgedragen in de
werkelijkheid van de taal. Hoe zou de oneindige afwezigheid van het begrijpen
het kunnen aanvaarden zich te verwarren met de beperkte en begrensde
aanwezigheid van een enkel woord? En zou de alledaagse taal die ons daarvan wil
overtuigen zich niet bedriegen? Inderdaad zij bedriegt zich
en zij bedriegt ons. Het
woord voldoet niet aan de waarheid welke zij inhoudt. Dat men eens de moeite
doet een woord te beluisteren: erin strijdt en werkt
het niet-zijn, zonder oponthoud graaft het, spant het zich in, een uitweg
zoekend terwijl het dat waardoor het wordt ingesloten tot niets herleidt. Een
eindeloze onrust, waakzaamheid zonder vorm en zonder naam. Reeds
is de zegel verbroken die dit niet-zijn weerhield binnen de limieten van het
woord en onder de gedaante van haar zin; nu is het toetreden geoorloofd van
andere, lossere, minder besliste woorden, beter bekwaam zich te verzoenen met
de wilde vrijheid van de negatieve essentie; onstabiele gehelen, niet langer
termen maar de beweging ervan, eindeloze verglijding van wendingen die nergens
uitmonden. Alzo wordt de beeldspraak geboren die niet
rechtstreeks het ding aanwijst maar wat het ding niet is, die spreekt over de
hond in plaats van over de kat. Alzo begint de
achtervolging waardoor de gehele bewegende taal opgeroepen wordt recht te
verlenen aan de onrustige eis van één enkel ding aan wie het zijn is ontzegd en
dat, na zich tussen elk woord te hebben geslingerd, zoekt alle woorden te
hergrijpen om ze alle ineens te ontkennen opdat ze de leegte, die ze noch
kunnen vullen noch kunnen afbeelden, aanwijzen door erin te verzinken.
Indien ze het hierbij hield zou de
literatuur reeds een vreemde en vervelende taak te
vervullen hebben. Maar ze laat het hier niet bij. Zij herinnert zich de eerste
benaming die de moord zou zijn geweest waar Hegel het over heeft. “Het
bestaande” is door het woord uit zijn bestaan geroepen en is zijn geworden. Het
“Lazare veni foras” heeft de duistere lijk-realiteit uit haar oorspronkelijke
diepte doen treden en heeft zo in ruil slechts het leven van de geest gegeven.
De taal weet dat haar rijk de dag is en niet de intimiteit van het
niet-gereveleerde; zij weet dat iets moet worden uitgesloten opdat de dag zou
beginnen, opdat dit Oriënt, dat Hölderin heeft gezien, niet tot middagslaap
geworden licht zou zijn maar, de verschrikkelijke kracht waardoor
de zijnden ter wereld komen en zich verlichten. De negatie kan zich slechts
verwezenlijken vanaf de realiteit die ze ontkent; de taal haalt haar waarde en
haar zijnstrots uit de verwezenlijking van deze negatie; maar, in het begin, wat
ging er verloren? De kwelling van de taal is dàt wat ontbreekt omdat zij er
noodzakelijk het tekort van is. Zij kan dit zelfs niet benoemen.
Wie god ziet
sterft. In het woord sterft wat aan het woord leven geeft; het woord is het
leven van deze dood, zij is “het leven dat de dood draagt en er in standhoudt”.
Bewonderenswaardige kracht. Maar iets was daar dat er niet meer is. Iets is
verdwenen. Hoe het terugvinden, hoe kan ik terugkeren tot wat “eerder” was, als
heel mijn macht erin bestaat er het “nadien” van te maken? De taal van de
literatuur is de zoektocht naar het moment dat haar voorafgaat. (paradise lost,
paradise regained?Milton) In het algemeen noemt ze dat
moment bestaan. Ze wil de kat zoals ze bestaat, de rolkei in zijn
vooringenomenheid van ding, hemzelf en niet de mens,
en erin wat de mens verwerpt om hem te kunnen uitspreken, wat het fundament van
het woord is en wat het woord om te spreken uitsluit, de afgrond, de Lazarus
van het graf en niet de in het daglicht getreden Lazarus,ze wil deze die reeds
stinkt, die het Slechte is, de verloren Lazarus en niet de geredde en
verrezene. Ik zeg een bloem!.
Maar, in de afwezigheid waarin ik haar citeer, door de vergetelheid waarmee ik
het beeld dat zij mij geeft verban naar de diepte van dit zware woord, dat zelf
oprijst als een onbekend ding, roep ik hartstochtelijk de duisternis op van
deze bloem, dit stof dat me bezwangert maar dat ik niet zie, dat parfum dat me
doorklieft en dat ik niet adem, deze kleur die spoor is en geen licht. Waar
blijft dan mijn hoop te bereiken wat ik verdring? In
de materialiteit van de taal, in het feit dat woorden ook dingen, ook een natuur
zijn, dat me gegeven is en me meer geeft dan ik ervan begrijp. Daarnet was de
werkelijkheid van de woorden een hindernis voor mij. Nu is zij mijn enige kans.
Het woord houdt op de vluchtige passage van het niet-zijn te zijn om een
concrete bol, een massief van bestaan te worden, de taal verlaat de zin die ze
enkel wou zijn, zoekt zinloos te worden. Al wat fysisch is speelt de
voornaamste rol, het ritme, het gewicht, de massa, de gedaante en tenslotte het papier waarop men schrijft, het spoor van de
inkt, het boek. Ja, gelukkig is de taal een ding; het is een geschreven ding,
een stuk schors, een rotsscherf, een kleifragment waarin de realiteit van de
aarde blijft bestaan. ( het gedicht taxien) Het woord handelt, niet als een
ideale kracht maar als een duistere macht, als een bezwering die de dingen
dwingt, ze “werkelijk” buiten zich aanwezig stelt. Het is een element, een deel
dat nauwelijks losgekoppeld is van het ondergronds
milieu; niet langer een naam maar een ogenblik van universele anonimiteit, een
brutale bevestiging, een verstomming van aangezicht tot aangezicht in het
diepste van de duisternis. En daardoor eist de taal dat haar spel gespeeld
wordt zonder de mens die haar heeft gevormd. De literatuur ontdoet zich nu van
de schrijver, zij is niet langer de werkzame inspiratie, de negatie die zich
bevestigt, dat ideaal dat zich in de wereld inschrijft als het absoluut
perspectief van het geheel van de wereld. Zij is niet boven
de wereld, maar zij is ook niet de wereld: zij is de aanwezigheid van de dingen
voordat de wereld was, hun volharding nadat de wereld verdwenen is, de
koppigheid van wat blijft als alles verdwijnt en de verbazing van wat
verschijnt als er niets is. Daarom verwart ze zich niet met het
bewustzijn dat verheldert en beslist; zij is mijn bewustzijn zonder mij,
stralende passiviteit van de minerale substanties, helderziendheid in het
diepste van de verdoving. Zij is niet de nacht, zij is er de spookgedachte van;
niet de nacht die onophoudelijk waakt om zichzelf te verrassen en zich daarom
zonder uitstel oplost. Zij is niet de dag, zij is de zijde van de dag die de
dag om licht te worden heeft weggeworpen. En, evenmin is zij de dood, want in
haar toont zich het bestaan zonder het zijn, het bestaan dat onder het bestaan
blijft als een onverbiddelijke bevestiging, zonder begin en zonder einde, de
dood als onmogelijkheid tot sterven.
Door zich het onvermogen toe te
eigenen zou de literatuur de openbaring willen worden van wat door de revelatie
wordt vernietigd. Tragische inspanning. Zij zegt: ik beeld niet meer af, ik
ben, ik bied aan. Maar de wil een ding te zijn, de weigering te spreken
ondergedompeld in tot zout verworden woorden, het lot tenslotte,
het schrijfsel te worden van geen enkele schrijver door een taal te worden van
niemand, het licht van een bewustzijn waaraan een ik is ontzegd; kortom, deze
onzinnige inspanning zich in zichzelf in te graven, zich te verbergen achter
het feit dat ze verschijnt, dit alles is wat ze op dit moment manifesteert en
toont. Al zou ze zo stom worden als steen, zo passief als het lijk dat erachter
besloten ligt, dan nog zou de beslissing het woord te willen verliezen leesbaar
blijven op de steen en voldoende zijn om deze valse dode te wekken.
De literatuur leert dat ze zichzelf
niet kan overstijgen naar haar eigen einde toe: zij ontkomt, zij verraadt zich
niet. Zij weet dat zij deze beweging is waardoor wat verdwijnt onophoudelijk
verschijnt. Wanneer ze benoemt, verdwijnt het
aangewezene, maar wat verdwenen is wordt behouden, en het ding heeft ( in het
zijn dat het woord is ) eerder een toevlucht dan een bedreiging gevonden.
Wanneer ze weigert te benoemen, wanneer ze van de naam een duister,
onbetekenend Ding maakt, een getuige van de primordiale duisterheid, dan is wat
hier verdwijnt _de zin van de naam_ goed en wel vernietigd, maar in plaats
daarvan is de betekenis in het algemeen opgekomen, de zin van de ingesloten
onbeduidendheid van het woord als uitdrukking van de duisternis van het
bestaan, zodat, wanneer de juiste zin van de woorden verdwenen is, de mogelijkheid
zelf van het betekenen, de lege macht een zin te geven, zich nu bevestigt als
een vreemd, onpersoonlijk licht.
Door de dag te ontkennen restaureert
de literatuur de dag als fataliteit; door de nacht te bevestigen vindt zij de
nacht als onmogelijkheid van de nacht. Dat is haar ontdekking. Wanneer de dag
het licht van de wereld is, maakt hij ons duidelijk wat hij ons laat zien: hij
is de macht tot grijpen, tot leven, het antwoord in de vraag “inbegrepen”. Maar
als wij de dag rekenschap vragen, als we er toekomen hem terug te duwen om te
weten wat er is voor of onder de dag, dan ontdekken we dat hij reeds aanwezig is, en dat wat voor de dag is, nog dag is,
maar dan als onmacht om te verdwijnen en niet als macht om te doen verschijnen;
een duistere noodzaak en niet een verlichtende vrijheid. De natuur dus, van wat
is voor de dag, van het voordagelijkse, is de duistere zijde van de dag en deze
duistere zijde is niet het niet-verhulde mysterie van zijn begin maar zijn
onvermijdelijke aanwezigheid, een “Er is geen dag” die zich verwart met “Er is reeds een dag”
doordat zijn verschijnen samenvalt met het moment waarop hij nog niet
verschenen is. De dag laat ons toe tijdens de loop van de dag te ontkomen aan de dingen, hij laat ons ze ons begrijpen en
door ons ze te laten begrijpen maakt hij doorschijnend en als het ware nietig, _maar
aan de dag ontkomt men niet, binnen hem zijn we vrij maar hijzelf is
noodwendigheid, en de dag als noodwendigheid is het zijn van wat voor de dag
is, het bestaan waarvan men zich moet afwenden om te kunnen spreken en te
kunnen begrijpen.
Vanuit een bepaald gezichtspunt is de
literatuur verdeeld over twee hellingen. Zij is gericht op de negatiebeweging
waardoor de dingen van zichzelf gescheiden zijn en vernietigd, om aldus te
worden gekend, onderworpen en medegedeeld. De
literatuur stelt zich niet tevreden deze negatiebeweging met haar
opeenvolgende, gefragmenteerde resultaten op te nemen: zij wil ze in zichzelf
vatten en haar resultaten wil ze als totaliteit bereiken. Indien men ervan
uitgaat dat de negatie het heeft gehaald op alles, dan verwijzen de reële
dingen, één voor één genomen, allen naar dat irreël-al dat ze samen
constitueren, naar de wereld die hun zin als geheel is, en dit is het
gezichtspunt dat de literatuur voor het zijn houdt door de dingen te bekijken
vanuit het standpunt van dit nog denkbeeldige
al dat zij werkelijk zouden constitueren indien de negatie zich kon
verwezenlijken. Vandaar het irrealisme, schaduw die haar prooi is. Vandaar haar
wantrouwen voor de woorden, haar nood de negatiebeweging van de taal zelf toe
te passen en deze ook uit te putten door haar te verwerkelijken als het al van
waaruit elke term niets zou zijn.
Maar er is nog een andere helling. Dan
is de literatuur de zorg om de realiteit van de dingen, om hun onbekend, vrij en stil bestaan; zij is hun onschuld en hun
verboden aanwezigheid, het zijn dat steigert voor de openbaring, de uitdaging
van wat zich niet naar buiten wil voortbrengen . Hierdoor, sympathiseert zij
met de duisternis, met de doelloze passie, met rechteloos geweld, met alles wat
binnen de wereld de weigering om op de wereld te komen schijnt te bestendigen.
Hierdoor ook, sluit zij een alliantie met de werkelijkheid van de taal, zij
maakt er een materie van zonder omtrek, een inhoud zonder vorm, een grillige
onpersoonlijke macht die niets zegt, niets openbaart en zich, door haar
weigering iets te zeggen, tevreden stelt aan te kondigen dat zij komt van de
nacht en tot de nacht wederkeert. Deze metamorfose is niet in zichzelf mislukt.
Het is inderdaad waar dat de woorden zich veranderen. Zij betekenen niet langer de schaduw, de aarde,
zij beelden niet langer de afwezigheid van de schaduw en de aarde af;
afwezigheid die de zin, de helderheid van de schaduw en de doorzichtigheid van
de aarde uitmaakt: de ondoorschijnendheid is hun antwoord; de lichte aanraking
van de zich sluitende vleugels is hun woord; de materiële zwaarte stelt zich in
hen aanwezig met de verstikkende dichtheid van een syllabisch allegaartje dat
elke zin verloren heeft. De metamorfose heeft plaats gehad. Maar binnen
deze metamorfose herverschijnt ; over de verandering heen die de woorden heeft
verstevigd, versteend en verstomd; de zin van deze
metamorfose die hen verheldert én de zin die zij bezitten door hun verschijnen
als ding of nog, als dit gebeurt, als het vaag, ongedetermineerd en onvatbaar
bestaan waar niets verschijnt, schoot van diepte zonder uiterlijk. De
literatuur heeft wel degelijk getriomfeerd over de zin van woorden, maar in
deze, los van hun zin genomen, woorden heeft ze de tot ding geworden zin
gevonden; alzo is zij de zin losgekoppeld van haar
bestaansvoorwaarden, gescheiden van haar ogenblikken, zwervend als een lege
macht waarmee men niets kan doen, macht zonder macht, eenvoudig onvermogen om
op te houden met zijn, maar, die daardoor, de determinatie blijkt die eigen is
aan het ongedetermineerde en van haar zin beroofde bestaan. Bij deze inspanning
beperkt de literatuur zich niet tot het inwendig hervinden van wat ze op de
drempel heeft achtergelaten. Want, wat ze als inwendigheid vindt in het
inwendige dat, ontsproten uit wat het was, zich heeft veranderd in de
onmogelijkheid van het uitgaan_en als duisternis van het bestaan vindt ze het
zijn van de dag die veranderd is van verklarend en zinscheppend licht tot
verontrusting van wat men zich niet kan verhinderen te begrijpen, en tot de
verschrikkende dwanggedachte van een rede zonder beginsel, zonder begin,en waarvan men zich geen
rekenschap kan geven. De literatuur is deze ervaring waardoor het bewustzijn
zijn zijn ontdekt in de onmacht om het bewustzijn te verliezen, in de beweging
waarin het zich, terwijl het verdwijnt, door zich los te rukken uit de
stiptheid van een ik, over het bewustzijn heen terug constitueert als een onpersoonlijk spontaneïteit, als de verbetenheid van een
woest weten dat niets weet, dat niemand kent en dat de onwetendheid steeds
achter zich vindt als een in blik veranderde schaduw.

Men kan er de taal van beschuldigen
dat zij een onophoudelijk herkauwen van woorden is geworden in plaats van de
stilte die ze hoopte te bereiken. Men kan haar ook verwijten dat zij, die zich
wou oplossen in het bestaan, zich in de conventies van de literatuur stort. Het
is waar. Maar dit eindeloos herkauwen van woorden zonder inhoud, deze
continuïteit van het woord doorheen een onmetelijke verwarring van woorden is
juist de diepe natuur van de stilte, die spreekt tot in de stomheid, die woord
is leeg van woorden, een voortdurend sprekende echo te midden van de stilte. En
zo ook is de literatuur; die blinde waakzaamheid, die door aan zichzelf te
willen ontsnappen steeds meer verzinkt in haar eigen obsessie; de enige
vertaling van de obsessie te bestaan, indien zij de onmogelijkheid zelf is om
buiten het bestaan te treden, het zijn dat steeds het zijn terug wordt
ingeworpen, de afgrond die nog altijd fundament van de afgrond is, de toevlucht
waartegen geen toevlucht is te vinden.¹
¹In het licht van zijn boek ‘De
l’existence à l’existant’ plaatst Emmanuel Levinas, onder de naam “il y a”,
deze anonieme en onpersoonlijke stroming van het zijn, die aan elk zijn
voorafgaat; het zijn dat in het schoot van het
verdwijnen reeds aanwezig is, dat in het diepste van de vernietiging nog tot
het zijn als fataliteit van het zijn terugkeert, dat niet-zijn als bestaan; wanneer er niet iets is, is er
zijn.
De literatuur is verdeeld over deze
twee hellingen. De moeilijkheid is dat, hoewel schijnbaar onverzoenbaar, zij
niet leiden tot onderscheiden werken en doeleinden en dat de kunst die beweert
één helling te volgen reeds aan de andere zijde is. De
eerste helling is deze van het betekenend proza. Het
doel is de dingen uit te drukken in een taal die ze langsheen hun betekenis
aanwijst. Iedereen spreekt zo; velen schrijven zoals men spreekt. Maar zonder
deze kant van de taal te verlaten komt er een moment dat de taal de
oneerlijkheid van het gewone woord doorziet en dat zij er afstand van neemt.
Wat verwijt zij het? Zij zegt dat het woord zin ontbreekt: het schijnt haar
waanzin te geloven dat in elk woord een ding volmaakt aanwezig wordt gesteld
door de afwezigheid die het bepaalt, en zij start haar zoektocht naar een taal
waar deze afwezigheid zelf wordt gevat en het begrijpen in zijn beweging zonder
einde , afgebeeld wordt. Laten we niet terugkomen op
deze houding, we hebben haar in het lang en in het breed beschreven? Maar, wat
kan men zeggen van zo’n kunst? Dat zij het zoeken is
naar een zuivere vorm, een ijdele zorg om lege woorden? Integendeel: zij heeft
slechts de ware zin tot doel; zij houdt zich slechts bezig de beweging door dewelke deze zin waarheid wordt veilig te stellen. Om juist
te zijn, zou men haar voor meer betekenend moeten houden dan gelijk welk
alledaags proza dat slechts van een leugenachtige zin leeft: zij beeldt ons de
wereld af, zij leert ons er het totale zijn van te ontdekken, zij is de arbeid
van het negatieve in de wereld én voor de wereld. Waarom haar niet bewonderen
als een handelende kunst, levendig en helder bij uitstek? Ongetwijfeld. Maar
men moet dan als dusdanig Mallarmé waarderen die er de meester van is.
Op de andere helling bevindt Mallarmé
zich ook. In het algemeen verzamelen er zich diegenen
die men dichters noemt. Waarom? Omdat zij zich interesseren voor de
werkelijkheid van de taal, omdat zij zich niet interesseren voor de wereld,
maar voor wat de dingen en de zijnden zouden zijn indien er geen wereld was; omdat zij zich overleveren aan de literatuur als aan
een onpersoonlijke macht die slechts zoekt te worden verzwolgen en overstroomd.
Indien de poëzie zo is, dan zullen we ten minste weten
waarom zij uit de geschiedenis moet worden gesleurd, aan wiens rand zij een
gegons van insecten laat horen, en dan zullen we ook weten dat geen enkel
oeuvre dat zich op deze helling naar de afgrond laat glijden een prozawerk mag
worden genoemd. Maar wat geldt daar allemaal van? Iedereen begrijpt dat de
literatuur zich niet laat indelen en dat juist de keuze van een plaats, de
overtuiging zich daar te bevinden waar men heeft willen zijn, leidt tot de
grootst mogelijke verwarring, de literatuur heeft u immers reeds
arglistig laten overgaan van de ene helling naar de andere, heeft u verandert
in wat u niet was. Dat is haar verradelijkheid, daar ook haar doortrapte
waarheid. Een romanschrijver schrijft in het doorzichtigste proza, hij
beschrijft de mensen die we hadden kunnen ontmoeten en gebaren die de onze
zijn; zijn doel, hij zegt het, is, op de wijze van Flaubert, de werkelijkheid
van de menselijke wereld uit te drukken. Welnu, welk is op het einde het enige
onderwerp van zijn oeuvre? De afschuw voor het bestaan zonder wereld; het
proces waardoor wat ophoudt te zijn, verder blijft, waardoor wat zich vergeet
altijd rekenschap verschuldigd blijft aan de herinnering (ce temps qui ne passe
pas),waardoor wat sterft slechts de onmogelijkheid van
het sterven ontmoet, waardoor wat het daarboven (au-delà) wil bereiken altijd
een erin (en-deça) is. Dat proces is de dag die
fataliteit is geworden, het bewustzijn waarvan het licht niet langer de
scherpzinnigheid van het waken is maar de verbazing om de afwezigheid van
slaap; het is het bestaan zonder het zijn, zoals de poëzie het wil hervatten
achter de zin van woorden die het verwerpen.
En ziehier een mens die
meer waarneemt dan hij schrijft: hij wandelt door een dennenbos, bekijkt een
wesp, raapt een steen op. Hij is een soort wijze, maar de wijze verdwijnt voor
wat hij weet, soms, voor wat hij wil weten, de mens die leert voor mensen: hij
is overgegaan naar de kant van de dingen, nu is hij water, een rolkei, een
boom, en wanneer hij waarneemt is het voor de dingen, wanneer hij beschrijft is
het het ding zelf dat zich beschrijft. Welnu, dit is het verrassende van deze
transformatie, want het is ongetwijfeld mogelijk een boom te worden, en welke
schrijver zou er niet in slagen hem te doen spreken? Maar de boom van Francis
Ponge is een boom die Francis Ponge heeft geobserveerd en zich beschrijft zoals
hij zich verbeeldt dat deze hem zou beschrijven. Vreemde beschrijvingen. Door
bepaalde trekken schijnen zij geheel menselijk; dit komt doordat de boom de
zwakte van de mensen kent die slechts spreken over wat zij weten; maar al deze,
aan de pittoreske mensenwereld, ontleende metaforen, deze beelden die het beeld
maken, vertegenwoordigen in feite het standpunt van de dingen over de mens, de
singulariteit van een menselijk woord, bezield door het kosmisch
leven en de kracht van het kiemen; daarom, langs deze beelden, langs bepaalde
objectieve noties glijden zich _want de boom weet dat tussen deze twee werelden
de wetenschap een terrein van overeenstemming is_ de reminiscenties afkomstig
uit de diepte van de aarde, veranderende uitdrukkingen, woorden waar, onder de
heldere zin, de dikke vloeibaarheid van de plantaardige groei binnendringt.
Deze beschrijvingen, het werk van een volkomen betekenend proza, wie denkt ze
niet te begrijpen? Wie rekent ze niet tot de heldere en menselijke kant van de
literatuur. En toch behoren zij niet tot de wereld maar tot
de onderkant van de wereld; zij getuigen niet voor de vorm maar voor het
vormeloze, en ze zijn slechts duidelijk voor hem die ze niet doorpeilt: ze zijn
slechts helder doordat ze hun gebrek aan zin verbergen; dit in tegenstelling
tot de orakelachtige woorden van de boom van Dodone*_ook een boom_ die duister
waren maar een zin verborgen. In werkelijkheid beginnen de
beschrijvingen van Ponge op het verondersteld ogenblik
waarop; doordat de wereld verwezenlijkt, de geschiedenis voltooid en de natuur
bijna menselijk zou zijn; het woord het ding tegemoetkomt en het ding leert
spreken. Ponge verrast dit hypothetisch ogenblik waar
zich aan de zelfkant van de wereld, het
nog stom bestaan en dat, naar men weet bestaanmoordend woord, elkaar ontmoeten.
Vanuit de diepte van deze stomheid hoort hij de inspanningen van een
voor-zondvloedse taal en, in het helder woord van het
begrip, herkent hij het diepe werk van de elementen. Aldus wordt hij de
bemiddelende wil van wat langzaam opstijgt naar het woord en van het woord dat
langzaam afdaalt naar de aarde terwijl het niet het bestaan uitdrukt van voor
de dag, maar het bestaan van na de dag, de wereld van het einde van de wereld.
*oude stad van Epirus waar zich een oud heiligdom van Zeus
bevond, de god sprak er, door middel van het al dan niet ritselen van de
bladeren van het heilig eikenbos, zijn orakels uit.
Waar vat binnen het oeuvre het
ogenblik aan dat de woorden sterker worden dan hun zin en dat de zin materiëler
wordt dan het woord? Wanneer verliest het proza van Lautréamont de benaming proza?
Laat niet elke zin zich begrijpen? Is elk zinsverband niet logisch? En zeggen
de woorden niet wat ze willen zeggen? Op welk ogenblik is, in dit doolhof van orde, in dit labyrint van helderheid, de zin
verdwaald, bij welke kronkeling bemerkt hij dat hij opgehouden heeft te
“volgen”, dat in zijn plaats iets is verdergegaan, iets vooruit is gegaan en
iets heeft besloten; iets, geheel gelijkaardig, in wat hij zich meende te
herkennen tot op het moment waarop hij, wakkergeschrokken, dat ander ontdekt
dat zijn plaats heeft ingenomen? Maar keert hij zich op zijn stappen terug om
de indringer te ontmaskeren, dan verdwijnt onmiddellijk de illusie, hij vindt
zichzelf terug, het proza is weerom proza, zodat hij verdergaat en zich opnieuw
verliest, terwijl hij zich laat substitueren door een
walgelijke materiële substantie, die gelijkt op een trap die wandelt, op een
gang die zich ontrolt; rede waarvan de onfeilbaarheid elke redenaar uitsluit,
logica die de “logica van de dingen” is geworden. Maar is dit het oeuvre? Elk
moment bezit de helderheid van een mooie, zich sprekende taal, maar het geheel
heeft de ondoorzichtige zin van een ding dat zich eet en eet, zich verslindt,
zich opslokt en zich, in de tevergeefse inspanning zich in niets te veranderen,
herstelt.
Is Lautréamont geen echte prozaïst?
Maar wat is dan de stijl van Sade, als het geen proza is? En wie schrijft
helderder dan hij? Hij, die gevormd door de minst poëtische eeuw, op voorhand
de bekommernis van een literatuur die op zoek is naar
de duisternis, niet kent? En toch, in welk oeuvre hoort men zo’n
onpersoonlijk en onmenselijk geluid, “een kolossaal en obsederend gemurmel”
(zegt Jean Paulhan). Ah! Maar dat zou een eenvoudig gebrek zijn! De zwakheid
van een schrijver die onbekwaam is bondig te schrijven! Ongetwijfeld, een
ernstig gebrek: de literatuur beschuldigt hem er als eerste van. Maar wat ze
aan de ene kant veroordeelt, wordt aan de andere kant verdienste; wat ze
ontmaskert in naam van het oeuvre, bewondert ze als ervaring; dat wat
onleesbaar schijnt, dat is het enige wat waard is geschreven te worden. En , op het einde, bevindt zich de roem; verder, het
vergeten; iets verder, het anoniem overleven in de schoot van een dode cultuur;
nog verder, de volharding binnen de hoogst elementaire eeuwigheid. Waar is het
einde? Waar is deze dood die hoop is van de taal? Maar de taal is het leven dat de dood draagt en in haar standhoudt.
Als men de literatuur wil herleiden
tot de beweging die er alle dubbelzinnigheden van vatbaar maakt, is ze daar: de
literatuur begint, zoals het alledaagse woord, met het “einde”, het enige dat
toelaat te begrijpen. Om te spreken, moeten wij de dood zien, moeten wij haar
achter ons zien. Wanneer wij spreken, steunen wij ons op een graf, en de leegte
van het graf is wat de waarheid van de taal uitmaakt maar tegelijkertijd is de
leegte werkelijkheid en wordt de dood zijn. Er is zijn _dat wil zeggen een
logische en uitdrukbare waarheid_ en er is wereld omdat wij de dingen kunnen
vernietigen en het bestaan op kunnen schorten. men kan
zeggen dat er zijn is, doordat er niet-zijn is: de dood is de mogelijkheid van
de mens, zij is zijn kans, door haar rest er ons de toekomst van een voltooide
wereld; de dood is de grootste hoop van de mensen, hun enige hoop mensen te
zijn. Daarom is het bestaan hun enige echte angst, zoals Emmanuel Levinas zo
goed heeft getoond¹, het bestaan bevreest hen, niet omwille van de dood die er
een eind achter zou kunnen plaatsen, maar omdat zij de dood uitsluit, omdat zij
onder de dood nog steeds is, aanwezigheid in het diepste van de afwezigheid,
onuitdrijfbare dag waarop alle dagen ontwaken en slapengaan. En sterven,
ongetwijfeld, is dit ons een zorg. Maar waarop? Doordat wij die sterven, wij
juist de wereld én de dood verlaten. Aldus de paradox van het laatste uur. De
dood arbeidt met ons binnen de wereld; macht die de natuur vermenselijkt, die
het bestaan verheft tot zijn, zij is in ons,als ons
meest menselijk deel; zij is slechts binnen de wereld dood, de mens kent haar
slechts omdat hij mens is, en hij is slechts mens omdat hij de dood in wording
is. Maar sterven, dat is de wereld breken; dat is de mens
verliezen, het zijn vernietigen, het is dus ook de dood verliezen, dat
verliezen wat haar in haar en in mij tot dood maakte. Zolang ik leef,
ben ik een sterfelijk mens, maar, wanneer ik sterf, houd ik ook, terwijl ik
ophoud een mens te zijn, op sterfelijk te zijn, ik ben niet langer bekwaam te
sterven, en de dood die zich aankondigt vervult me met afschuw want ik zie haar
zoals ze is: niet langer de dood, maar de onmogelijkheid tot sterven.
¹”Is de angst voor het zijn”, schrijft hij, _de afschuw voor het zijn_ niet even
oorspronkelijk als de angst voor de dood? De vrees te zijn even oorspronkelijk
als de vrees voor het zijn? Oorspronkelijke zelf want van deze-hier zou er door
deze-daar rekenschap kunnen worden gevraagd.”
Van de onmogelijkheid van de dood
maakten sommige godsdiensten de onsterfelijkheid. Dat wil zeggen dat ze hebben
geprobeerd het feit zelf dat betekent: “Ik houd op mens te zijn” te
humaniseren. Maar alleen de tegenovergestelde beweging maakt de dood
onmogelijk: door de dood verlies ik het voordeel
sterfelijk te zijn, omdat ik de mogelijkheid verlies mens te zijn; mens zijn
over de dood heen zou slechts deze vreemde betekenis kunnen hebben: ondanks de
dood altijd bekwaam zijn te sterven, voortdoen alsof er niets aan de hand is
met, als horizon en zelfde hoop, de dood, die geen andere uitweg zou hebben dan
een “doe voort alsof er niets aan de hand is”, enz. Dit noemen andere
godsdiensten dan de vloek van de wedergeboorten: men sterft, maar men sterft
slechts omdat men slecht geleefd heeft, men is veroordeeld om te herleven, en
men herleeft totdat men , doordat men geheel mens is
geworden, al stervend een gelukzalig mens wordt: een echt dode mens. Kafka
erfde dit thema langs de Kabbala en de oosterse tradities. De mens treedt de
nacht in, maar de nacht leidt tot het ontwaken, en zie hij is ongedierte. Ofwel
sterft de mens, maar in werkelijkheid leeft hij; hij gaat, gedragen door
stromen, van stad tot stad, door de één herkend, door niemand geholpen, de
vergissing van de oude dood grinnikt aan zijn hoofdeinde; het is een vreemde
toestand, hij is vergeten te sterven; de dood is daarginds, het grote slot dat
men niet kan bereiken, en het leven, was daarginds, het geboorteland dat men
heeft verlaten na een valse oproep; nu, blijft er niets anders over dan te
vechten, te werken om geheel te sterven, maar vechten is nog leven; en alles
wat het doel benadert maakt het doel ontoegankelijk.
Kafka heeft van dit thema niet de
uitdrukking gemaakt van een bovenaards (au-delà) drama, maar hij heeft erlangs
gezocht het actueel feit van onze
bestaansmogelijkheden te hervatten. Hij heeft in de literatuur het beste middel
gezien, niet alleen om deze toestand te beschrijven, maar ook om te proberen
haar een uitweg te bezorgen. Dit is een mooie lofrede, maar is ze verdiend? Het
is waar dat er in de literatuur een machtig raderwerk bestaat, een
geheimzinnige kwade trouw, die, doordat zij de literatuur voortdurend toelaat op twee scènes te acteren, de meest eerlijke
mens de onredelijke hoop geeft, te verliezen en desalniettemin
te hebben gewonnen. Ten eerste arbeidt ook zij aan de komst van de wereld; zij
is beschaving en cultuur. in deze hoedanigheid
verenigt zij reeds twee tegenstrijdige bewegingen. Zij is negatie want ze
verdringt het inhumane, ongedetermineerde van de dingen naar het niet-zijn, zij
definieert ze, maak ze eindig; en het is in die zin dat zij werkelijk het
oeuvre van de dood in de wereld is. Maar, tegelijkertijd, nadat zij de dingen
heeft ontkend in hun bestaan, bewaart zij hen binnen hun zijn: zij zorgt ervoor
dat de dingen een zin hebben; en de negatie die de arbeidende dood is, is ook de komst
van de zin, het begrijpen in actie. De literatuur bezit bovendien een voorrecht:
zij overstijgt de actuele tijd en plaats om zich te situeren
aan de periferie van de wereld, als het ware op het eind van de tijden, en het
is van daaruit dat zij over de dingen spreekt en dat zij zich met de mensen
bezighoudt. Door deze nieuwe macht schijnt het dat zij een eminente
autoriteit bij wint. Door aan elk moment het al te openbaren
waarvan het deel uitmaakt helpt zij dat moment bewust te worden van dat al dat
het niet is, en een ander moment te worden, dat moment zal zijn van een ander al:
enzovoort; hierdoor kan zij zich het grootste ferment van de geschiedenis
heten. Maar dit heeft ook een keerzijde: dit al dat zij afbeeldt is geen simpel
idee vermits het gerealiseerd en niet zomaar abstract is geformuleerd, maar het
is niet op een objectieve manier gerealiseerd want dat wat er reëel in is, is
niet het al, maar de particuliere taal van een particulier oeuvre dat zelf
ondergedompeld is in de geschiedenis; en bovendien, het al geeft zich niet als
reëel maar als fictief, dat wil zeggen, juist als al: perspectief van de wereld
gezien vanuit het denkbeeldig punt van
waaruit de wereld als een geheel kan worden gezien; het gaat hem dus om een
wereldbeeld dat zich, als irreëel, realiseert vanaf de realiteit eigen aan de
taal. Welnu, wat resulteert daaruit? Vanuit het perspectief van de
wereld als taak wordt de literatuur nu veeleer bekeken als een rem dan als een
ernstige hulp, zij is niet het resultaat van een echte arbeid vermits zij geen
realiteit is; maar realisatie van een gezichtspunt dat irreëel blijft; zij is
vreemd aan elke echte cultuur, want de cultuur is de arbeid van een mens die
zich langzaam in de loop van de tijd wijzigt, en niet, het onmiddellijk
genot van een fictieve transformatie, die zowel tijd als arbeid de bons geeft.
Als afgewezene van de geschiedenis
bespeelt de literatuur een ander scène. Indien zij niet werkelijk in de wereld
is, werkend aan de wereld, komt dit doordat zij, door haar gebrek aan zijn (aan
verstaanbare realiteit), zich verhoudt tot het nog inhumane bestaan. Ja, zij
erkent het, er is in haar natuur een vreemd verglijden tussen zijn en
niet-zijn, aanwezigheid, afwezigheid, realiteit, irrealiteit. Wat is een
oeuvre? Reële woorden en een denkbeeldige geschiedenis, een wereld waar al wat
gebeurt ontleend is aan de realiteit, en deze wereld is ontoegankelijk;
personages die veinzen te leven, maar wij weten dat hun leven een niet-leven is
(een fictie blijft); wel dan, een zuiver niet-zijn? Maar het boek dat men raakt
is daar, de woorden die men niet kan wijzigen, laat zich lezen; het niet-zijn
van een idee, van wat slechts als begrepen bestaat? Maar de fictie wordt niet
begrepen, zij wordt geleefd op de woorden van waaruit zij zich realiseert, en
zij is, voor mij die haar lees of schrijf, reëler dan heel wat reële gebeurtenissen
omdat zij zich laat doordringen door de gehele werkelijkheid van de taal, en,
door de kracht van het bestaan substitueert ze mijn
leven. De literatuur handelt
niet, doordat zij onderduikt in de diepte van het bestaan, die noch zijn, noch
niet-zijn is en waar de hoop niets te doen radicaal wordt geschrapt. Zij is
geen verklaring, noch zuiver begrijpen, want het onverklaarbare toont zich in
haar. En zij drukt uit zonder uit te drukken, terwijl ze haar taal aanbiedt aan
wat murmelt in de afwezigheid van het woord. De literatuur verschijnt dan als
gebonden aan de vreemdheid van het bestaan, dat door het zijn werd verworpen en
dat aan elke categorie ontsnapt. De schrijver voelt zich ten
prooi aan een onpersoonlijke macht die hem noch laat leven, noch laat sterven:
de onverantwoordelijkheid die hij niet kan overstijgen wordt de vertaling van
deze dood zonder dood die aan de rand van het niet-zijn op hem wacht; de
literaire onsterfelijkheid is de beweging zelf waardoor de walg voor een
overleven, dat er geen is, voor een dood die van niets het einde is,
binnendringt tot in de wereld, tot in een door het brute bestaan ondermijnde
wereld. De schrijver, die een oeuvre schrijft, ruimt zich in dit oeuvre
op én bevestigt zich in haar. Indien hij het heeft geschreven
om zich van zichzelf te ontdoen, dan engageert dit oeuvre hem en brengt het hem
naar zichzelf terug, en indien hij schrijft om zich te manifesteren en erin te
leven, dan bemerkt hij dat wat hij heeft gedaan niets is, dat het grootste
oeuvre de meest onbetekenende daad niet waard is, en dat het hem veroordeelt
tot een bestaan dat het zijne niet is en tot een leven dat niet tot het leven
behoort.(la poesie me volera ma mort) Of nog, hij heeft geschreven omdat hij,
in de diepte van de taal, de arbeid van de dood, die de zijnden voorbereidt tot
de waarheid van hun naam, heeft gehoord: hij heeft voor dit niet-zijn gearbeid
en hij is zelf een niet-zijn aan het werk geweest. Maar door de leegte
te bewerkstelligen creëert men een oeuvre, en het oeuvre, ontstaan uit de trouw
aan de dood, is uiteindelijk niet meer in staat te sterven en het brengt
diegene, die zich een dood zonder geschiedenis wou bereiden, slechts de spot
van de onsterfelijkheid.
Wat is dan de macht van de literatuur?
Zij speelt arbeid in de wereld en de wereld houdt haar arbeid voor een
onbenullig en gevaarlijk spel. Zij opent zich een weg naar de duisternis van
het bestaan en zij slaagt er niet in het “Nooit meer” uit te spreken die er de
vloek van zou wegnemen. Waar is dan haar macht? Waarom oordeelt een mens als
Kafka, dat als hij dan toch zijn bestemming missen moest, schrijver zijn voor
hem de enige manier bleef om haar op een waarachtige manier te mislopen. Dit is
misschien een onontwarbaar raadsel, maar als het er één is, dan komt dat mysterie
voort uit het recht van de literatuur om op onverschillige wijze elk ogenblik
en elk resultaat van het negatief of positief teken
aan te tasten. Een vreemd recht dat verband houdt met het thema van de
dubbelzinnigheid in het algemeen. Waarom is er dubbelzinnigheid
in de wereld? De dubbelzinnigheid is haar eigen antwoord. Men beantwoordt haar
slechts door haar in de dubbelzinnigheid van het antwoord terug te vinden, en
het dubbelzinnig antwoord is een vraag met betrekking
tot de dubbelzinnigheid. Eén van haar verleidingstechnieken is het doen
ontstaan van het verlangen haar te verhelderen, een strijd die veel weg heeft
van de strijd tegen het kwaad waarover Kafka het heeft en die eindigt in het
kwaad, “zoals de strijd met vrouwen eindigt in bed”.
De literatuur is de taal die
dubbelzinnigheid wordt. De gewone taal is niet noodzakelijk helder, ze zegt
niet altijd wat ze zegt, het misverstand is ook één van hààr wegen. Dit is
onvermijdelijk, men spreekt slechts door van het woord een monster met twee gezichten
te maken, een realiteit die materiële aanwezigheid is en een zin die ideële
afwezigheid s. Maar de gewone taal beperkt de willekeur. Zij sluit de
afwezigheid stevig op in een aanwezigheid, zij plaatst een “term (termijn)” op
de betekenis, op de ongedefinieerde beweging van het begrijpen; de betekenis
wordt begrensd, maar ook het misverstand wordt begrensd. Binnen de literatuur
is de dubbelzinnigheid, door de faciliteiten die zij vindt, als het ware
overgeleverd aan haar excessen en als het ware uitgeput door de enorme
hoeveelheid vergissingen die zij kan begaan. Men zou zeggen dat zich hier een
verborgen valstrik aanbiedt opdat zij haar eigen vallen zou onthullen en dat de
literatuur, door zich zonder voorbehoud aan haar over te leveren, probeert haar
buiten het zicht en buiten het denken van de wereld te houden, in een gebied
waar zij zich verwezenlijkt zonder voor iets een gevaar te betekenen. Niet
alleen kan elk moment van de taal dubbelzinnig worden en iets anders zeggen dan
wat het zegt, maar onzeker is ook de algemene zin van de taal; waarvan men niet
weet of zij
uitdrukt of afbeeldt, of zij een ding is of een ding betekent, of zij daar is
om te worden vergeten of zich laat vergeten opdat men haar zou bemerken, of zij
doorzichtig is door het weinig zinvolle dat ze zegt of helder door de juistheid
waarmee ze het zegt, duister omdat ze teveel zegt, ondoorschijnend omdat zij
niets zegt. De dubbelzinnigheid is overal: in de futiele verschijning, maar het
meest frivole kan een masker zijn van ernst; in haar belangeloosheid, maar
achter deze belangeloosheid schuilen de wereldse machten waarmee ze verdragen
sluit zonder ze te kennen, of nog, binnen deze belangeloosheid stelt zij het absoluut karakter van de waarden veilig zonder dewelke de
actie zou ophouden of dodelijk worden zou; haar irrealiteit is dus beginsel van
actie én onvermogen om te handelen; evenzo, is de fictie in haar waarheid en evenzeer onverschilligheid voor de
waarheid; evenzo, verminkt zij zich wanneer zij zich bindt aan de moraal, en wanneer
ze de moraal afstoot, ontaardt zij zich nog; evenzo, is zij niets als zij haar
eigen einde niet is, maar ze kan haar eigen einde niet in zich hebben want ze
is zonder einde, zij voltooid zich buiten zichzelf, in de geschiedenis, enz...
Al deze omkeringen van voor naar tegen
_en deze die deze bladzijden hebben geëvoceerd_ laten zich ongetwijfeld
verklaren door zeer uiteenlopende oorzaken. We hebben gezien dat de literatuur
zich onverzoenbare taken oplegt. We hebben gezien dat zij, van schrijver tot lezer,
van arbeid tot oeuvre, over tegenovergestelde momenten gaat en zich slechts
herkent in de bevestiging van al deze contradictorische momenten. Maar, al deze
contradicties, al deze vijandelijke eisen, deze indelingen en
tegenstrijdigheden, die zo verschillend zijn qua oorsprong, soort en betekenis,
verwijzen allen naar één ultieme dubbelzinnigheid, die als vreemd effect heeft
dat zij de literatuur aantrekt tot op een onvast punt waarop zij naar willekeur
van zin en teken kan veranderen.
Deze allerlaatste wisselvalligheid
houdt het oeuvre onbepaald zodat het naar willekeur een positieve of negatieve
waarde aannemen kan en, alsof het onzichtbaar wentelde om een onzichtbare as,
binnengaan kan in het daglicht van de affirmaties of in het tegenlicht van de
negaties, zonder dat de stijl, het genre, het onderwerp rekenschap kunnen geven
voor deze radicale transformatie. De inhoud van de woorden noch hun vorm staan
op het spel. Duister, helder, poëtisch, prozaïsch, onbetekenend, belangrijk,
sprekend over een rollende kei, sprekend over God, iets is aanwezig binnen het
oeuvre dat niet afhangt van zijn kenmerken en dat in het diepste van zichzelf
steeds bezig is het van kop tot teen te wijzigen. Alles gebeurt alsof er in de
schoot van de literatuur en van de taal, over de schijnbare bewegingen heen die
hen veranderen, er een punt van onbestendigheid voorbehouden blijft, een kracht
van substantiële metamorfose, die bekwaam is er alles aan te veranderen zonder
er iets aan te veranderen. Deze onvastheid kan doorgaan voor het effect van een
ontbindende kracht, want door haar kan het strengste en sterkste oeuvre een
oeuvre worden van verval en ongeluk, maar deze ontbinding is ook constructief,
zo plots wordt door haar de ellende hoop en de vernietiging element van het
onverwoestbare. Hoe kan een dergelijke dreigende, nabije verandering, gegeven
in het diepste van de taal, buiten de zin die haar bepaalt én buiten haar
werkelijkheid om, toch aanwezig zijn in deze zin én in deze werkelijkheid? Zou
in het woord, de zin van dat woord met zich iets inbrengen dat, terwijl het
zijn juiste betekenis waarborgt en zonder deze te bedreigen, bekwaam zou zijn
het te wijzigen en de materiële waarde van het woord te wijzigen? Zou er
verborgen binnen de intimiteit van het woord, een vriendschappelijke en
vijandelijke kracht bestaan, een wapen gemaakt om op te bouwen en om te
vernietigen, die werkzaam zou zijn achter de betekenis en niet op de betekenis?
Moet men een zin van de zin van de woorden veronderstellen, die, terwijl zij ze
determineert, deze determinatie zou omhullen met een dubbelzinnige
onbestendigheid in tweespalt tussen ja en neen?
Maar we hebben niets
te veronderstellen: deze zin van de zin van woorden, die zowel de beweging van
het woord naar zijn waarheid is, als zijn terugkeer langs de realiteit van de
taal naar de duistere diepte van het bestaan; deze afwezigheid waardoor het
ding is vernietigd, afgebroken om zijn en idee te worden, hebben we langdurig
ondervraagd. Zij is dit
leven dat de dood draagt en in haar standhoudt, de dood, de ontzeggende
kracht van het negatieve, of nog, de vrijheid, door de arbeid van dewelke het bestaan van zichzelf wordt losgekoppeld en
betekenisvol wordt gemaakt. Welnu, niets kan verhinderen dat, op het ogenblik
dat zij werkt aan het begrijpen van de taal en, in de taal, aan de specificatie
van de woorden, deze kracht zich nog bestendigt als een steeds andere
mogelijkheid en een onherleidbare “dubbele zin” bevestigt, een alternatief
waarvan de termen zich verbergen in een dubbelzinnigheid die hen identisch
maakt door ze tegengesteld te maken.
Indien wij deze macht, de negatie, de
irrealiteit of de dood heten, betekenen de dood, de negatie, en de, in het
diepste van de taal werkzame, irrealiteit weldra de komst van de waarheid in de
wereld, het verstaanbare dat zich opbouwt, de zin die zich vormt. Maar, even
snel verandert het teken, de zin vertegenwoordigt niet langer het wonder van
het begrijpen maar zendt ons terug tot het niet-zijn van de dood, en het
verstaanbaar zijn betekent slechts de weigering van het bestaan, en de absolute
zorg voor de waarheid vertolkt zich door het onvermogen om werkelijk te
handelen. Ofwel toont de dood zich als een beschavende kracht die uitmondt in
het begrijpen van het zijn. Maar, tegelijkertijd, vertegenwoordigt de dood de
absurde waanzin, de vloek van het bestaan dat in zich dood en zijn verenigt en
dat noch zijn noch dood is. De dood mondt uit in het zijn: zo is de hoop en de
taak van de mens, want het niet-zijn helpt het maken van de wereld, het niet-zijn
is schepper van de wereld in de mens die werkt en begrijpt. De
dood mondt uit in het zijn: zo is de scheur van de mens, de oorsprong van zijn
ongelukkig lot, want langs de mens komt de dood tot zijn, en langs de mens
berust de zin op het niet-zijn: wij begrijpen slechts door ons het bestaan te
ontzeggen; door de dood mogelijk te maken, door wat wij begrijpen van het
niet-zijn van de dood te bederven, zodat, wanneer wij het zijn uitgaan, wij
buiten de werkelijkheid van de dood vallen, en de uitweg het verdwijnen van
elke uitweg wordt.
In deze eerste dubbele zin, die, als
een nog ongekende veroordeling en een nog onzichtbaar geluk, aan de basis ligt
van elk woord, vindt de literatuur haar oorsprong, want zij is de vorm die hij
heeft gekozen om zich achter de zin en de waarde van de woorden te
manifesteren, en de vraag die hij stelt is de vraag die de literatuur stelt.
Einde van
de tekst
![]()