back to:
Argumentatie
L’oeuvre est amour réalisé d’un désir demeuré désir (René Char)
Het object van de kunst, datgene waar de kunst aan toekomt als zij iets over haar zijn wil zeggen, als zij nog in staat geweest zou zijn iets over dat zijn te zeggen (…deze vreemde zin, dit voorondersteld gestelde…) is per definitie onzegbaar, zoals het object van begeerte, dat obscuur verlangen naar iets in de ander wat niet zij, maar veeleer een zich eindeloos in een ‘mise en abime’ plaatsende spiegeling van het eigen verscheurd verlangen van die ander, is. Die afwezigheid, die dood, een bijna vergeten scharnier naar goedheid en vrijheid toe, en alles wat een dergelijke graad van kostbaarheid delft dat het nooit aan zichzelf toekomt in zijn dicht-zijn bij een zelf.
Daarin is het elitair in de meest strikte zin: dat het als vreemde aan zichzelf nooit aan dat zelf toekomt; dat alles van waarde niet alleen weerloos is maar ook ondeelbaar, onmededeelbaar. Zelfs binnen het individu blijkt de aankondiging van een zelf slechts de aanhouding van een onbeslistheid te zijn. Un être femme de l’homme, peut-il être?. Het hysterische als constituante. De on(mede)deelbaarheid lijkt een resultante van een zich steeds verder verbrokkelende maalstroom van breuken_ specialisatie van een kennis die streefde naar beheersing door een totaliserende eenheid_ de on(mede)deel-baarheid is niets anders dan het gevolg van een in delen zijn.
Dat wat in de eenzaamheid een oprecht verdriet is (als eerste enige correcte afgeleide van de basisemotie die de angst is), in eerste instantie omwille van het tekort, het ontbreken van een verzekerd en verzegeld zelf, in tweede instantie omwille van het onvermogen dat de ontmoeting met de ander tekent_onvermogen dat tevens de vrijheid van deze ontmoeting instaureert_ vervalt binnen de communicatie (de blik van de ander) al gauw tot narcistische krenking, tot ironie, sarcasme of cynisme. En zo wordt de altijd solitaire toegang van het individu tot het beangstigende mysterie van zijn eigen verantwoordelijkheid (zijn verdriet om zijn tekort, zijn liefhebbend vermogen) ontnomen door een geruststellende heerschappij van de ethiek die in haar eisen de belangloosheid negeert die de liefde kenmerkt en waardoor het goede slechts beter kan zijn dan het kwade als het verdwijnt.
Toch is paradoxaal deze niet-communicatie slechts mogelijk binnen de communie zelf. Of anders: de communicatie versterkt haar verlangen naar onoverdrachtelijkheid. Dat wat in de stilte het geheim van haar oorsprong zou kunnen vinden steeds nog wordt bemiddeld door een rochelend gemurmel. Het is dààr waar zij strelen wordt, aaien en een amper raken dat de kunst het succes van haar voortdurend falen kan meedelen. Het spreken en dat geldt niet alleen voor het kunst-spreken kan slechts doordat het zijn falen, zijn misverstand noodwendig in zich draagt. Alsof het risico van de fout de zekerheid van binnenuit structuur verleent. Alsof de mogelijkheid van de fout de openheid
( breng dit voort wat de kennis geheim wil houden, de kennis met de honderd doorgangen; de onmogelijkheid tot zelfdefiniëring) van het democratisch ‘systeem’ structureert; het paradoxale waarin zij terechtkomt als zij zich als argument naar voren schuift
De kunstenaar, of de mens die zijn verlangen structureert in een verstaan van zijn dood, van zijn ontkenning, die dit probleem steeds verder durft te onderkennen; de redding is de dood maar niet deze (Kafka) maar niemand getuigt voor de getuige (Celan) (Oh! het moet niet, het zou slechts hebben gekund, juist doordat de onderkenning steeds door de ontkenning verder zal worden gedragen) erkent zijn object als het hermetische dat juist in de openbaring zelf sluiert.
Er wordt hier dus gemeend dat het een “wezenlijke” taak van de kunstenaar is zich onophoudelijk paranoïsch en noodgedwongen paradoxaal op te stellen tegen dat wat voortdurend neigt naar een zelf en vanuit deze “onmogelijke” plaats het risico van de waanzin (des performances psychiques) te wagen binnen die, steeds in zich wankelende, scène die liefde_mijn liefde, het doet er niet toe dat ik geboren ben: jij wordt zichtbaar op de plaats waar ik verdwijn_ heet, en dit zonder ooit binnen de preferentiële vereenzelviging van een tot zekerheid gereduceerde waarheid van macht te treden. Macht die trouwens in de confrontatie met het kunstwerk enkel tot een narcistische cristallisatie in staat is en zich daar toont in haar louter zijn zelf; als macht zonder kracht: corruptie. Als de kunst deze omogelijkheid, deze tragiek, want het zou tragisch moeten kunnen zijn, weigert, verliest zij haar eigen, weliswaar onmogelijke, noodwendigheid en komt zij in de kitsch terecht. Kunst zonder tragiek=kitsch; het louter slechts verblijven in de toegestane mogelijkheid, in de eindeloze herhaling van eenzelfde icoon, in de toelatende ontdubbeling van de scène.
Pour que le simulacre comme vérité advienne il faut écrire dans l’écart des styles.(J. Derrida)
Et puis je vous dirai la vérité en peinture, en peinture.(Cézanne)
back to: