ANECDOTISCH DISTILLAAT
Frank
Beeusaert
Inhoudstafel
·
onanie
·
nul
(In Voorbijgaan)
I
Een schuld wordt nu verrekend
Een stameling vrouw met in zich verborgen het onhaalbaar geweld
van het vreemde.
Hij raast: ”Moi quand je bois je sais ce que je fais.”
Harnas tegen harnas vuur spat dubbelzijdig en toch inwendig vonk.
“Ah tu viens pour la caisse.”
Zilverstuk en verlegen dringt iemand naar vereffening, naar
nulstand van spijt, een ander breekt tot andante, stijft ritueel in ceremonie.
Ik was gekend. Zij had het kunnen weten. Als zoenoffer krijg ik
ongevraagd het al teveel. Een nog ander zegt, driehoekig ook: “zij speelt
triest een eindloos reizen met een zelf, in meervoud opgesteld”.
II
Zacht en gepolijst raken handen ternauwernood het edelsteen van
glas dat haar drinken doet. Wat is zij mooi en dwingt an-sich imperatief:
“”Jij bent het roosgedoornte, het is beter dat wij elkaar niet
vermoeden maar uitdampen het vluchtig kruisen van onze blik.
Tot ik vuur wordt, staal.
Een hamer zonder meester”
wordt aan haar gegeven maar door haar vriendinnen opgegeten.
Je ogen lopen je steeds
vooraf en met alle wil volg je
gedreven.
Dan, alweer, herlijn je
kokket je waardigheid,
tegenover al die bunkers,
_zo denk je_
met hun groot gelijk
dat groeit samen met hun buik.
Straks spook je als een
bella donna in een kaft
Evenzo
vergaat het de fantasierijke mens die verliefd wordt. Het generische (de naam
die je steeds herhaalt, het type, het land van herkomst, het aanbiddelijke
leven dat die geliefde wordt toebedacht) is belangrijker dan de individuele
trekken, die worden geduld dank zij het voorgaande.
Borges
ONANIE
Ik kan het ook in stilstand voeden
hoe ik die naar jou over wil
aan een muur gebonden sta
en wacht tot een pijngrens zich hertrekt.
Ververs ik sluik het zondegoed,
of vogel ik met mijn evenkind,
dwaas, dwars en dartel in jouw
warm waanland toe.
UITSTAPJE
De weg naar het godshuis was zacht.
Een tong hing slap, fluweel het spreken
in de
marinade van de nacht;
een traditie uniek warhoofdig in zichzelf beleden,
als het maar verteerde,
desnoods met het vuilnis mee
buiten werd gezet.
Preëmbryonaal werd geen compromis
aangegaan,
maar bitterzoet met zoet in bitter
vergeleken,
groette iets beleefd tot een muze in mij
het onderwerp tot
lijdend voorwerp brak.
De weg naar het godshuis was zacht,
veerde reeds de eindeloze slaap
toen plots twee wetshonden uit het blik kwamen
aangeblaft.
Had ik gezegd: “Wacht , dan bijt je
straks”,
dan was het nu een stille, stille nacht.
DECEMBERVROUW
aan Mia
Schoonheid, mijn geheel gerechte, langs zo gortige wegen,
Op het punt van lampen en van de gesloten moed.
Dat ik mij spiegel en dat jij mijn decembervrouw zij.
Mijn toekomstig leven is jouw gelaat als je slaapt.
Chaume des Vosges
René Char

FOTO 1
Zeer oud en zeer belegen,
Afgemeten tussen grijs en
sepia
Op statig zwart,
Gebiest en voorgelijst,
Bloost een oma , zacht
Maar beeldvast haar jeugd
In een ronde dwang van
schelpen.
Veinst zij vluchten tot een
Ommehaal van kracht ?
Nieuwsgierig, als haar borst
Die om de schouder om
Doorheen een lens gluurt,
Wenkt zij met een lichte
spreidstand
Van het vierspan aan haar
droge hand.
Haar ander hand dompelt abrupt
Een bloem in het zwarte van
haar
Haar dat geurt jasmijn en
koriander,
Het ander been mist weg in de
Onbekeken grijze ether ;
ze is
In zichzelf met rum beschonken
en
Weerhoudt gevouwd een dubbel
achterkant.
Zeer oud en zeer belegen
Afgemeten tussen grijs en
sepia
Op statig zwart,
Gebiest en voorgelijst,
Kiert een foto pril en fris
Doorheen mijn hand en hoofd
En hand.
NEUS NAAST MOND
Aangetekend,
nog met prikkeldraad
omgeven
is een nieuwe vrouw in mij gegleden.
Ik
zoek en smeer me zacht
als
boter aan muur en straten uit.
Haar
schuurpapieren kleed krast langs
de
open ademstand van mijn huid
die
kust, te vlug, verlegen, haar neus naast
de
even open wond gelegen,
van
haar mond.
Wat
wordt waarheen genodigd
blijft de open vraag waarin ik clusters spin;
is
zij de sfinx waartegen
ik
een pitkramp hik?
LENGTEN VAN HET HALVE VUUR
Je
kaft mijn ogen met het loosloze
van
jouw ogen en verhalen van het vele leven.
Met
woorden als een hand terwijl ik drijfzand,
een
piton aan een kabel aan een rots,
hou
ik me even op en galmt daarna
nog
uren in mijn holten rond.
Ik
zou kreet moeten zijn,
maar
berg het en eet, sap geworden,
alles
nog eens in een hoekje op.
Tot
ik opga, terug mezelf opboer
en
met jou als linnen pak
een
schrikkende straat bewals.
AANRANDEN
Een
lucht hangt zwanger
met
de mogelijkheid van armen.
Is
zij een octopus
die
haar prooi betast,
of
ben ik het
of
is dit de tango
van
de zestien armen.
Terwijl
de rug,
dat
autonome dier,
het
verlangen rilt naar
ontsluiting
door een arm,
spuit
ik nog wat inkt om te bergen
dat
haar mond mij leert het verschil
tussen
neus en mond
en
mee bezondigd
het
ingehouden feest.
Straks
zijn we onontknoopbaar
in
elkaar verward
Nu
nog zegt ze:
“in
het vierendeel van mijn liefde
ben
jij de derde persoon enkelvoud”.
Terwijl
ik spot: (en plots van eenvoud
schrik)
“wat jij niet hebt
kan
ik je geven”.
PRUTTELEN
We
praatten de stoofpot, dat gekoesterde
gedeelde,
tot aan de rand van het aangebrande.
Jouw,
twee dingen samen doen kan men leren,
dreef
de aardappelen suïcidaal
tot
een onafgietbare ineenstorting.
Nu
de tijd zat hen al niet mee en er bleef
nog
steeds het paarsgerande van de appelmoes.
Moe,
dat zij je toch, legde jij je hoofd
op
tafel aan, en at ik jou en keek in jou
en
hield van het zieke in je oog.
DUBBEL DATIEF
Ik sta helder want ik hoor klokken luiden.
Hij sloot haar in zijn arm, een ander zij legt op een ander hij haar
hand. Zij belijden hun verschil in een onbeslist gelijk dat mij laat spreken.
Een man vaart een vrouw aan in een glazen bol.
Mijn zotte bes, in het diepe dons van jouw kranig weren zit een kind
geborgen. Jij noemt dat planning, project, en rondvraagt jouw navel naar een
coöptant, een vennoot of aandeelhouder voor dit bedrijven van kwadratuur van
leven. Ik doe even of mijn neus bloedt en haal een oude zakdoek boven.
Er is geen scheur meer in de wereld, alles is lichtmis nu, een
krekelbel tegen ochtendgloren aan. Wat borrelt diep komt boven en verschiet
straks van de dag.
Zo ben ik dichter nu en kom steeds nader. Stel je voor : de dichter
krijgt een kind waar hij door jou van lengt. Zo zijn ze dus weer met twee en
spelen spreken. En ergens ver acteert een moeder een bevel en roept
noodgedwongen lief: Komen
eten!
AANRAKEN
Een omtrekloze zon wast gelig als nooit voordien, een boodschap uit het
nooit bezochte, af in een kom van mist.
Koeien zouden hier als oude zussen abstraheren tot bruine vliegen,
dobbers op het oude doek van karnemelk, maar de kou kraait het prodigieuze van
een horizon tot uitgommen in napalm, scherp aan de kim; de rest, die heilige,
die nergens aanvat, nergens toekomt, botert amper weg een weg.
We rijden door, de stuurman niet, hij begraaft het rijden tot
kilometerstand en oliepeil. Raakt het landschap tijdloos mij, eenvoud, weerwerk
en daarin verwerkt: oor en mond aan jou open.
Nu, na jaren van verzenging, eisend standstaan op freonpegels _luister,
spied, sla aan in angst_ met een kromming door de rimpelrug en lege deuren aan
als plicht. Waar geur, want mij, tot ongeur werd, kom ik zonder onderstel,
alleen, met een groeiend vooroordeel terecht aan ruiken, land in hand, vreemde
planten aan een buik en rug.
Alchemisch smelt t’één t’ander aan en breit liefde. Een eerste slag van
nagels krast in mijn huid het onbepaalde keurmerk. Een eerste beet, huid wit,
rood ebt weg en armen, benen, wingerds in het wilde weg, lig ik op jou, ik lig
op jou, maar zonder koppelteken, gelukkig nog, gelukkig jeukt jij hersens tot
een zachte lach.
Wat ik opzoog aan mezelf opent zich een mond voor vingers die mijn
lippen raken en doordringen tot in het hormonaal bestek.
Ijs door raam, voorwendsel voor een duik in een warm gewelf, laat jij,
met het zeer listige van het wellicht ongewisse mij aan jou herhozen wat
loosloos onuitputtelijk is en aarzel ik plamuur te aaien waar jij onzeker sta.
De wankele man begeert
zij als een spreken in kartonnen dozen, alikruiken, spiegels van herhaald
verleden.
SPIEGELS
Kraai en haai aan, en ook, als bindteken, regenboog,
albatros het altijd vierde deel binnenin het gebeuren van het drievoudig
harmonische overheen een delven dat een duiken is, een zeesprong golven hoog,
naar een laatste want fatale sleutel, in asem van aanademing waarin terug
present het doorngesternt en het volheime pogen de blinde scheur te bestemmen
met een geur.
Iets houd je uit en huilt een vreemde warmte in die
niet is wat zij vermag, niet echt wil wil zijn, als ik min, wat ook en jij,
macht en misbruik en kleine bloesems. De waan die zich verbiedt wordt terreur
waarnaar ik wapens zoek.
“Veel samen” zeg je. Ik zeg ( ik ben aan overuren toe)
“tien seconden was ik bij je aan, drie minuten eenenzestig af en voor de rest
was niemand waar.” “Niemand,” zeg ik “niemand, dampt graag aan in een plaats
van voorwaar zomaar onbestentenis.”
Waar? De ode die zichzelf verbrandt en bruikbaar wordt
als chrysanten op een zerk: schrijf ik van binnen op, en geeuw de kramp van
iedereen.
FOTO 2
Ontbonden word ik nu gedaagd tot een uitgerekt spiraal van wervelwoord
waaraan de duizend hoeken, de haken, ogen waaraan alles hangt wat ik, een
schizofrene vraag in dwang gestel, alleen niet mag.
Iemand ligt op een divan en dicteert het thema. Vandaag, “jongens” zegt
ze, “is het Leda en haar zwaan”, die peniskoker met verbolgen vleugels: Zeus op
liefdespad alsof het oorlog was.
Betokkelt Leda , nu ze burgerlijk
in romantiek te weken ligt, hier haar zachte lier, opdat zij de dode god in het
pluk en gefixeer van nieuwe tijden ziet.
Toch barst de eens helende schmink van het beeld af, zoals eertijds de
perkamenten huid van haar Helena, die bitter en jaloers de schakende minnaars
vervloekt. Pollux berijdt Castor met in de lucht zijn linkervuist en beiden
lachen zij met abstractie van licht hun schuimende vader uit.
*********
*******
*****
***
*
Toen werd overwogen hem te castreren om na te gaan hoe, liefde, bloed, dood en aanverwanten wisselen zouden tot zeker elfenkruid of het garante van kastanjehuid.
Bewezen zij de zwaaier van waan die hen de spiegel uitblaast: “van een eerste versheid kan men niet naar Bobbejaanland” dan heimlacht het lange kind in de omvattende tol een intiem geschil en stinkt verwend de vitale scheur van een bange dood in hun ingeschminkt cannibalendom.
Angst legt in de auto-censuur van polissen haar kunstei groot.
Vendelvlerkt hij schijnbaar willekeurig leemten in laarsheid, een misplaatste eend in het strikte van waterkringen dat hem voortzwemt, een muzikant in tegenlicht en kruisen zij, kabbelt op snavelschaal het glijmiddel fuga’s en secundair tumult dat uitklutst in het duister onder de struiken tegen de oever aan.
In de engten van Lepante verloor Cervantes Saavedra de arm waarmee hij schrijven zal.
Cartografisch is de tijd, uitgebreidheid enkel in engten leesbaar. Een wereld in theaters bemind.
Terwijl in zwart hermetiek van eens frivole steden, Sevilla, Toledo en Granada, de bloedangst van een wankel chrstendom tot in verveling toe haar golgotha tot auto-dafé’s hermaalt en, met vreemdsoortige scalpels nu als scapulier, voortijdige dissecties door het heelal van het huiverend lichaam rakelt, knarsen op de aride, en nu boomloze plateau’s van La Mancha witte zonnen van wieken het anonieme bedrijf van wat komen zal. Oorverdovend en bedwelmend over een uitgestrekte heen waarin geluid of feest of oorlog duidt.
Trekt hij strijd. Reuzen waren het, nog maar embryo’s, nu moesten zij,onmogelijk, omwille van een lach met de fatale fierheid van de rede van het onverstand bestreden.
Diderot vlucht en plaats een punt
achter ‘Jaques le Fataliste’.
Een kasteel, huis, hotel, tent en rugzak. Dan de slak die met het huis schijnt samen te vallen. Het dierlijke van een architectuur op de meest menselijke schaal, een implosie van droom in werkelijkheid. Een lendeslag voor de geboorte aan.
NUL
De zwerver vouwt een open huis in het verhullend pantser van zijn kleren. Een haard knispert en borrelt het vocht dat hij breekt met zijn lichte vrienden. Zij boeren gensters op, pissen de rook van hun warmte in een tengerte van mokerslagen en gouden goten aan als loper.
Uit de grote gesuikerde taart nam hij, van het slechte humeur en de gedrogeerde vreugde, van goede luim en lauw verdriet, het nulstuk, wat niet in dank wordt afgenomen. Inleg van condens angst in beslag room. Gulzige sterren reizen met het vuur van riolen samen.
Mijn dode, beste en vreemdste vriend, oertank met wortels van druivenkroon; _een Bacchus van het celebrale_; en van het lijden het lijden alleen, geen verrijzenis kan u vernederen dit feest van inkt en papier, van vuur, lucht, water en aarde te onderbreken. Waar jij woont kan niemand komen, nu niet, later niet en ook eertijds niet. In openheid kun jij openslaan niet met een sleutel maar met het slot dat naast het sluiten slaapt en zich vergist.
Ik heb je opgezocht en opgezocht en zoek je nog, zo ergens zijn we samen eb van drift. De alchemische steen bleek een open muurloze deur en bijna wanhoop ik de dag dat het oorlog is en ik als jij leert wat het gewicht van schoonheid is. Jij zal me hier hebben uitgelachen met een pruilbom van vers, ik zal je nooit verstaan, maar beminnen in oponthoud de taal die jij, al is het mijn taal niet, in mij hersmeed met jouw vuur en diepe konen. De klauw die radeloos azuur verwat met het zweten van aarde, lavendel en bijgezoem.
Is je hemel gebekt zoals je
haar,
als je bedachtzaam in toeval,
met handen in je hals,
je lichaam in het zien mij reikt?
Is je schaamte een paardestaart dat huppelt?
In de gedoogzone van je achterblik,
dit nog aandringend niemandsland,
in het rasteren van je haar,
leg ik examen af met mijn haar
en hals en blik,
om het dierlijke aan te gaan met hem
die jij gekozen hebt om te verslaan.
Aarzel ik want voor de slacht
kreeg ik een alliantie aanvermaand,
en wacht tot jij hem verzoekt
te gaan.
Een rugzak om het boek te dragen
over hoe de man uit klei ontstond.
Zij is vrouw,
en spreidt het vele eten
in een verlies van sjaal.
Keert hij zich dubbel om
en ankert schouders op
voor hij terug begint te trillen
aan de einders van zijn zorg.
Een zorgeloosheid in haar verward.
.
Onsponsorbaar,
Op het verraad van een inktpatroon
gedrukt.
Strooi het zaad aan,
verbrijsel in het schedeldak de
toekomende
pigmenten,
die verre vermoeide reizigers,
verbrijsel en lach in de branding van het halsstarrig
open
wond
de instemming
met dit koddig staan
en
omslaan.
Jij, je was verwittigd en
gewaarschuwd.
Je was het toen en bent het nu ingehaald,
nogmaals.
Jij die mij de deinende pijn van het
losgeslagen oog ,
van de zijden wentellach ontnam door haar tragiek te vulgariseren tot
het opzetten
van maskers, meer en meer,
evenveel stagnaties
rondom on-;
bij jou is geen masker op
te brengen, jij die bent niets dan
opsmuk.
Tegen de omfronste zwaarte
van jouw roddels breng ik in stelling de
ademlichtheid van dit woord.
De brutale omhelzing van
de sprong,
alert en zonder tegenstroom
In het vreemde
lijden rafelt jij, gulzig waan tot export.
Slingert een
buitenboords geraamte als artefakten aether en schmink in de eindeloze
eenzaamheid van lust.
Alweer rakel jij
belastend een oog en roemt zwakheid tot fataal,
lijdt enkel aan het zelf
als ontkende pagode, wat ik beaam; jij, daar,uitgelezen lucht in lucht gekeerd,
zuigt, zuigt een
tandkruisiging om elke
tepel.
Blaft overal:
“m’as-tu vu”,”m’as-tu vu”,om nergens,
een bunker niets dat zich
aan zich bewijst.
Een opgeblazen
grap slist wat in mijn spreken kei is.
Lijk en gif ben
jij met standplaats in de ander.
Leugens, om geen
vrouw te delen maar weg te dompelen in jouw verdomhoekje.
Eer- en eerloos nog,
uitwasbaar door louter sluiten.
Van het vruchtbare oppervlak,
het polluent schuim;
een gepolijste meeëter aan het ‘kievits eenzaam vleugelscheren’.
Weet jij dan nog niet dat met de ware wereld ook de schijnbare werd
afgeschaft.
Je schiet wanhoop als kuit, niet de warme wanhoop van het pas geborene
maar de stalen van het in zich veroordeelde.
Zo eis ik jou als zerk voor mijn gedode liefde en nog enkele anderen.
Jij bent een proxeneet die vlucht voor het vervolg,
zelf van de hoererij amper een technische fiche.
Mijn hoofd is heet en hard genoeg
om het risico te nemen dat haat dit gedicht bederft
als het zich niet keert tegen de valse nacht van strategie en
niet zijn hulp herleesbaar maakt in de littekens van zijn eer.
tegen de Opkomst
Weerloos, dodelijk en kostbaar opgezet, ook mild, dit excessief verlies in
mij
deert slechts als een pekpook van verlangen.
Brandmerk ogenblik glibt tot kracht, verweert chiastisch onbeslist het
ter-ijk-gesteld-gelijk
die de fierheid negeert van hen die in zich een laatste dood behouden,
als opstand tegen dit eenhorig mechanisch zijn, aangeplaatst en
opgepast,
tot de vluchtige meewijl dat enkel in het dartele onbepaalde
van haar blind gelaat als mogelijkheid zich een vrijheid kluistert.
Dit ijdele, deze roes, een dood verkocht en hunker over grenzen heen met
dwars :
de helse definities.
Ze legden een ei en mechaniseerden het lijf in de schaal van die
voorbepaalde dood;
ontledigden de machine van zijn geest en aanbidden als vulgaire
geilaards
in consecraties de funktie zelf opdat ze niets meer zouden moeten weten.
Middel en doel verward tot duur als endlösung.
Ik deel hen die met bloed en open scheuren altijd hun longen opgorgelen
en verwonderd nazien
hoe de rook zich zal draperen in de dodendans zoals eens hun liefde was.
Vuur, niet zonder rook, als ik min voed ik kanker in mijn geest.
Een sigaret als asdag is aan mij besteed.
Dit woord als ik,
de handzaamheid,
van welke lach schicht,
ploft een fragmentatiebom
in hun gelijnd gelaat;
als ik zie samengangen met
tunnels overheen.
Een moeder meende mij te
kennen.
Ze zei : Je bent de nagel,
zei ze, van mijn doodskist.
Nagel, opdat het ware lijk
als intieme bron zich bergen
zal
binnen het intiem geglans
van de dansende hamer.
Ik ben engel nu,
azurig onoplosbaar
in azuur
(dit oud onheelbaar
landschap)
nader ik de mens,
zoals niemand ,
die dubbele,
ooit.
Alles,
is uitgespreid een
coïtus.
Het heelal,
een blijven krampen
van orgasme.
Het net niet
spatten van de zeepbel
komt klaar in de ongelezen tekst
en wil alleen in uw
afscheiding nog,
fijnproeven het
uitstel van de geur van aarde.
De zachte zalmen
van je huid als
zij sterven in hun
geboortegrond
die ene
geslachtsdaad
te ver.
als wees geborgen,
het begeren, stiefkind van het gerechtelijk
hoe dan ook,
van,
voor welk werkwoord ook__geen
objekt start langs de donkerste zijde
van het geruisloze lid tot wat had moeten zijn geweest het probleem:
Een nablijfwerk te
voldoen.
Tijd in billen rust
overeenkomsten tot essentie.
Weggeefbaar de gravitatie
en ontlading in te
lange kamers,
te korte blikken.
Uitspansel van
wreed minnen
deint verder uit
verder
.
Berg ik haar als
Neptunus in een baanafwijking.
Wij noemen je
hooiwagen zei hij tegen de toevallige spin.
Zo ben je vreemd
aan jezelf
zelf voor ons
geworden.
Meer dan dit en ons
beminnen
kunnen wij niet.
Maar ons pogen zal
eeuwig en gans zijn.
Hoe hier waar het afgedwongene tot belofte zal zijn verworden.
Waar niets dan het in zich beslotene als vraag naar overeenkomst het
abstrakte tot de contradiktorische
aandwang van het samengroeien ...
...
drang, begeerte en emotie vertoeven in schaalloze essentie.
Spelen in spiralen afgronden
wat prostitutie veinst binnen het kwartuur.
Betwisten zich de voortgang van het schrift.