back to text

 

 

ANECDOTISCH DISTILLAAT

 

 

 

 

Frank Beeusaert

 

 


 

 

 

 

Inhoudstafel

 

·        doorhalen

·        dienstertje

·        onanie

·        uitstapje

·        decembervrouw               

foto 1

neus naast mond

lengten van het halve vuur

aanranden

pruttelen

dubbel datief

aanraken

spiegels

foto 2

·        een dichterlijk gelijk

·        nul

·        don quichote

·        rené char   

·        alert en zonder tegenstroom

wederzijds passief

wissel

beslist

alert en zonder tegenstroom

kanker tegen de opkomst

restfractie

vrouw

valt een engel

wetenschap

antwoord

 

 

    

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DOORHALEN

(In Voorbijgaan)

 

I

 

Een schuld wordt nu verrekend

Een stameling vrouw met in zich verborgen het onhaalbaar geweld van het vreemde.

Hij raast: ”Moi quand je bois je sais ce que je fais.”

Harnas tegen harnas vuur spat dubbelzijdig en toch inwendig vonk.

“Ah tu viens pour la caisse.”

Zilverstuk en verlegen dringt iemand naar vereffening, naar nulstand van spijt, een ander breekt tot andante, stijft ritueel in ceremonie.

Ik was gekend. Zij had het kunnen weten. Als zoenoffer krijg ik ongevraagd het al teveel. Een nog ander zegt, driehoekig ook: “zij speelt triest een eindloos reizen met een zelf, in meervoud opgesteld”.

 

 

 

II

 

Zacht en gepolijst raken handen ternauwernood het edelsteen van glas dat haar drinken doet. Wat is zij mooi en dwingt an-sich imperatief:

 

“”Jij bent het roosgedoornte, het is beter dat wij elkaar niet vermoeden maar uitdampen het vluchtig kruisen van onze blik.

Tot ik vuur wordt, staal.

Een hamer zonder meester”

 

wordt aan haar gegeven maar door haar vriendinnen opgegeten.

 

 

 

 


 

 

 

 

 

DIENSTERTJE

 

 

 

Je ogen lopen je steeds

vooraf en met alle wil volg je

gedreven.

Dan, alweer, herlijn je

kokket je waardigheid,

tegenover al die bunkers,

_zo denk je_

met hun groot gelijk

dat groeit samen met hun buik.

 

Straks spook je als een

bella donna in een kaft

 





 

 

 

 

Evenzo vergaat het de fantasierijke mens die verliefd wordt. Het generische (de naam die je steeds herhaalt, het type, het land van herkomst, het aanbiddelijke leven dat die geliefde wordt toebedacht) is belangrijker dan de individuele trekken, die worden geduld dank zij het voorgaande.

            Borges

 

 

ONANIE

 

Ik kan het ook in stilstand voeden

hoe ik die naar jou over wil

aan een muur gebonden sta

en wacht tot een pijngrens zich hertrekt.

 

Ververs ik sluik het zondegoed,

of vogel ik met mijn evenkind,

dwaas, dwars en dartel in jouw

warm waanland toe.

 

 

 

 


 

 

 

 

 

UITSTAPJE

 

 

De weg naar het godshuis was zacht.

Een tong hing slap, fluweel het spreken

in de  marinade van de nacht;

een traditie  uniek warhoofdig in zichzelf beleden,

als het maar verteerde,

desnoods met het vuilnis mee

buiten werd gezet.

Preëmbryonaal werd geen compromis aangegaan,

maar bitterzoet met zoet in bitter vergeleken,

groette iets beleefd tot een muze in mij het onderwerp tot

lijdend voorwerp brak.

De weg naar het godshuis was zacht, veerde reeds de eindeloze slaap

toen plots  twee wetshonden uit het blik kwamen aangeblaft.

Had ik gezegd: “Wacht , dan bijt je straks”,

dan was het nu een stille, stille nacht.

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DECEMBERVROUW

                                  aan Mia

 

 

Schoonheid, mijn geheel gerechte, langs zo gortige wegen,

Op het punt van lampen en van de gesloten moed.

Dat ik mij spiegel en dat jij mijn decembervrouw zij.

Mijn toekomstig leven is jouw gelaat als je slaapt.

                             Chaume des Vosges 

                                                     René Char

 









 

 

 

 

 

 

 

FOTO 1

 

 

Zeer oud en zeer belegen,

Afgemeten tussen grijs en sepia

Op statig zwart,

Gebiest en voorgelijst,

Bloost een oma , zacht

Maar beeldvast haar jeugd

In een ronde dwang van schelpen.

 

Veinst zij vluchten tot een

Ommehaal van kracht ?

 

Nieuwsgierig, als haar borst

Die om de schouder om

Doorheen een lens gluurt,

Wenkt zij met een lichte spreidstand

Van het vierspan aan haar droge hand.

 

Haar ander hand dompelt abrupt

Een bloem in het zwarte van haar

Haar dat geurt jasmijn en koriander,

Het ander been mist weg in de

Onbekeken grijze ether ; ze is

In zichzelf met rum beschonken en

Weerhoudt gevouwd een dubbel achterkant.

 

Zeer oud en zeer belegen

Afgemeten tussen grijs en sepia

Op statig zwart,

Gebiest en voorgelijst,

Kiert een foto pril en fris

Doorheen mijn hand en hoofd

En hand.

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

NEUS NAAST MOND

 

 

Aangetekend, nog met prikkeldraad

omgeven is een nieuwe vrouw in mij gegleden.

Ik zoek en smeer me zacht

als boter aan muur en straten uit.

 

Haar schuurpapieren kleed krast langs

de open ademstand van mijn huid

die kust, te vlug, verlegen, haar neus naast

de even open wond gelegen,

van haar mond.

 

Wat wordt waarheen genodigd

 blijft de open vraag waarin ik clusters spin;

is zij de sfinx waartegen

ik een pitkramp hik?

 

 








 

 

 

LENGTEN VAN HET HALVE VUUR

 

 

Je kaft mijn ogen met het loosloze

van jouw ogen en verhalen van het vele leven.

Met woorden als een hand terwijl ik drijfzand,

een piton aan een kabel aan een rots,

hou ik me even op en galmt daarna

nog uren in mijn holten rond.

 

Ik zou kreet moeten zijn,

maar berg het en eet, sap geworden,

alles nog eens in een hoekje op.

Tot ik opga, terug mezelf opboer

en met jou als linnen pak

een schrikkende straat bewals.

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

AANRANDEN

 

 

Een lucht hangt zwanger

met de mogelijkheid van armen.

Is zij een octopus

die haar prooi betast,

of ben ik het

of is dit de tango

van de zestien armen.

 

Terwijl de rug,

dat autonome dier,

het verlangen rilt naar

ontsluiting door een arm,

spuit ik nog wat inkt om te bergen

dat haar mond mij leert het verschil

tussen neus en mond

en mee bezondigd

het ingehouden feest.

 

Straks zijn we onontknoopbaar

in elkaar verward

Nu nog zegt ze:

“in het vierendeel van mijn liefde

ben jij de derde persoon enkelvoud”.

Terwijl ik spot: (en plots van eenvoud

schrik) “wat jij niet hebt

kan ik je geven”.

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

PRUTTELEN

 

 

We praatten de stoofpot, dat gekoesterde

gedeelde, tot aan de rand van het aangebrande.

Jouw, twee dingen samen doen kan men leren,

dreef de aardappelen suïcidaal

tot een onafgietbare ineenstorting.

Nu de tijd zat hen al niet mee en er bleef

nog steeds het paarsgerande van de appelmoes.

 

Moe, dat zij je toch, legde jij je hoofd

op tafel aan, en at ik jou en keek in jou

en hield van het zieke in je oog.

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

DUBBEL DATIEF

 

 

 

Ik sta helder want ik hoor klokken luiden.

 

Hij sloot haar in zijn arm, een ander zij legt op een ander hij haar hand. Zij belijden hun verschil in een onbeslist gelijk dat mij laat spreken.

 

Een man vaart een vrouw aan in een glazen bol.

 

Mijn zotte bes, in het diepe dons van jouw kranig weren zit een kind geborgen. Jij noemt dat planning, project, en rondvraagt jouw navel naar een coöptant, een vennoot of aandeelhouder voor dit bedrijven van kwadratuur van leven. Ik doe even of mijn neus bloedt en haal een oude zakdoek boven.

 

Er is geen scheur meer in de wereld, alles is lichtmis nu, een krekelbel tegen ochtendgloren aan. Wat borrelt diep komt boven en verschiet straks van de dag.

 

Zo ben ik dichter nu en kom steeds nader. Stel je voor : de dichter krijgt een kind waar hij door jou van lengt. Zo zijn ze dus weer met twee en spelen spreken. En ergens ver acteert een moeder een bevel en roept noodgedwongen lief:                                                                                     Komen eten!

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

AANRAKEN

 

Een omtrekloze zon wast gelig als nooit voordien, een boodschap uit het nooit bezochte, af in een kom van mist.

 

Koeien zouden hier als oude zussen abstraheren tot bruine vliegen, dobbers op het oude doek van karnemelk, maar de kou kraait het prodigieuze van een horizon tot uitgommen in napalm, scherp aan de kim; de rest, die heilige, die nergens aanvat, nergens toekomt, botert amper weg een weg.

 

We rijden door, de stuurman niet, hij begraaft het rijden tot kilometerstand en oliepeil. Raakt het landschap tijdloos mij, eenvoud, weerwerk en daarin verwerkt: oor en mond aan jou open.

 

Nu, na jaren van verzenging, eisend standstaan op freonpegels _luister, spied, sla aan in angst_ met een kromming door de rimpelrug en lege deuren aan als plicht. Waar geur, want mij, tot ongeur werd, kom ik zonder onderstel, alleen, met een groeiend vooroordeel terecht aan ruiken, land in hand, vreemde planten aan een buik en rug.

 

Alchemisch smelt t’één t’ander aan en breit liefde. Een eerste slag van nagels krast in mijn huid het onbepaalde keurmerk. Een eerste beet, huid wit, rood ebt weg en armen, benen, wingerds in het wilde weg, lig ik op jou, ik lig op jou, maar zonder koppelteken, gelukkig nog, gelukkig jeukt jij hersens tot een zachte lach.

 

Wat ik opzoog aan mezelf opent zich een mond voor vingers die mijn lippen raken en doordringen tot in het hormonaal bestek.

Ijs door raam, voorwendsel voor een duik in een warm gewelf, laat jij, met het zeer listige van het wellicht ongewisse mij aan jou herhozen wat loosloos onuitputtelijk is en aarzel ik plamuur te aaien waar jij onzeker sta.

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

De wankele man begeert zij als een spreken in kartonnen dozen, alikruiken, spiegels van herhaald verleden.

 

SPIEGELS

 

Kraai en haai aan, en ook, als bindteken, regenboog, albatros het altijd vierde deel binnenin het gebeuren van het drievoudig harmonische overheen een delven dat een duiken is, een zeesprong golven hoog, naar een laatste want fatale sleutel, in asem van aanademing waarin terug present het doorngesternt en het volheime pogen de blinde scheur te bestemmen met een geur.

 

Iets houd je uit en huilt een vreemde warmte in die niet is wat zij vermag, niet echt wil wil zijn, als ik min, wat ook en jij, macht en misbruik en kleine bloesems. De waan die zich verbiedt wordt terreur waarnaar ik wapens zoek.

 

“Veel samen” zeg je. Ik zeg ( ik ben aan overuren toe) “tien seconden was ik bij je aan, drie minuten eenenzestig af en voor de rest was niemand waar.” “Niemand,” zeg ik “niemand, dampt graag aan in een plaats van voorwaar zomaar onbestentenis.”

Waar? De ode die zichzelf verbrandt en bruikbaar wordt als chrysanten op een zerk: schrijf ik van binnen op, en geeuw de kramp van iedereen. 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

FOTO 2

 

 

Ontbonden word ik nu gedaagd tot een uitgerekt spiraal van wervelwoord waaraan de duizend hoeken, de haken, ogen waaraan alles hangt wat ik, een schizofrene vraag in dwang gestel, alleen niet mag.

 

Iemand ligt op een divan en dicteert het thema. Vandaag, “jongens” zegt ze, “is het Leda en haar zwaan”, die peniskoker met verbolgen vleugels: Zeus op liefdespad alsof het oorlog was.

Betokkelt Leda , nu ze  burgerlijk in romantiek te weken ligt, hier haar zachte lier, opdat zij de dode god in het pluk en gefixeer van nieuwe tijden ziet. 

 

Toch barst de eens helende schmink van het beeld af, zoals eertijds de perkamenten huid van haar Helena, die bitter en jaloers de schakende minnaars vervloekt. Pollux berijdt Castor met in de lucht zijn linkervuist en beiden lachen zij met abstractie van licht hun schuimende vader uit.

 

 

 

 

*********

*******

*****

***

*

 

 

 

 

 




einde van de cyclus decembervrouw







 

 

EEN DICHTERLIJK GELIJK

 

 

Toen werd overwogen hem te castreren om na te gaan hoe, liefde, bloed, dood en aanverwanten wisselen zouden tot zeker elfenkruid of het garante van kastanjehuid.

 

Bewezen zij de zwaaier van waan die hen de spiegel uitblaast: “van een eerste versheid kan men niet naar Bobbejaanland” dan heimlacht het lange kind in de omvattende tol een intiem geschil en stinkt verwend de vitale scheur van een bange dood in hun ingeschminkt cannibalendom.

 

   Angst legt in de auto-censuur van polissen haar kunstei groot.

 

Vendelvlerkt hij schijnbaar willekeurig leemten in laarsheid, een misplaatste eend in het strikte van waterkringen dat hem voortzwemt, een muzikant in tegenlicht en kruisen zij, kabbelt op snavelschaal het glijmiddel fuga’s en secundair tumult dat uitklutst in het duister onder de struiken tegen de oever aan.

 

 


 

 

 

 

 

DON QUICHOTE HAD GELIJK

 

 

 

In de engten van Lepante verloor Cervantes Saavedra de arm waarmee hij schrijven zal.

 

Cartografisch is de tijd, uitgebreidheid enkel in engten leesbaar. Een wereld in theaters bemind.

Terwijl in zwart hermetiek van eens frivole steden, Sevilla, Toledo en Granada, de bloedangst van een wankel chrstendom tot in verveling toe haar golgotha tot auto-dafé’s hermaalt en, met vreemdsoortige scalpels nu als scapulier, voortijdige dissecties door het heelal van het huiverend lichaam rakelt, knarsen op de aride, en nu boomloze plateau’s van La Mancha witte zonnen van wieken het anonieme bedrijf van wat komen zal. Oorverdovend en bedwelmend over een uitgestrekte heen waarin geluid of feest of oorlog duidt.

 

Trekt hij strijd. Reuzen waren het, nog maar embryo’s, nu moesten zij,onmogelijk, omwille van een lach met de fatale fierheid van de rede van het onverstand bestreden.

 

Diderot vlucht en plaats een punt

achter ‘Jaques le Fataliste’.

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

Een kasteel, huis, hotel, tent en rugzak. Dan de slak die met het huis schijnt samen te vallen. Het dierlijke van een architectuur op de meest menselijke schaal, een implosie van droom in werkelijkheid. Een lendeslag voor de geboorte aan.

 

NUL

 

 

De zwerver vouwt een open huis in het verhullend pantser van zijn kleren. Een haard knispert en borrelt het vocht dat hij breekt met zijn lichte vrienden. Zij boeren gensters op, pissen de rook van hun warmte in een tengerte van mokerslagen en gouden goten aan als loper.

 

Uit de grote gesuikerde taart nam hij, van het slechte humeur en de gedrogeerde vreugde, van goede luim en lauw verdriet, het nulstuk, wat niet in dank wordt afgenomen. Inleg van condens angst in beslag room. Gulzige sterren reizen met het vuur van riolen samen.

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

RENE CHAR

 

 

Mijn dode, beste en vreemdste vriend, oertank met wortels van druivenkroon; _een Bacchus van het celebrale_; en van het lijden het lijden alleen, geen verrijzenis kan u vernederen dit feest van inkt en papier, van vuur, lucht, water en aarde te onderbreken. Waar jij woont kan niemand komen, nu niet, later niet en ook eertijds niet. In openheid kun jij openslaan niet met een sleutel maar met het slot dat naast het sluiten slaapt en zich vergist.

 

Ik heb je opgezocht en opgezocht en zoek je nog, zo ergens zijn we samen eb van drift. De alchemische steen bleek een open muurloze deur en bijna wanhoop ik de dag dat het oorlog is en ik als jij leert wat het gewicht van schoonheid is. Jij zal me hier hebben uitgelachen met een pruilbom van vers, ik zal je nooit verstaan, maar beminnen in oponthoud de taal die jij, al is het mijn taal niet, in mij hersmeed met jouw vuur en diepe konen. De klauw die radeloos azuur verwat met het zweten van aarde, lavendel en bijgezoem.

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

Alert en zonder tegenstroom

 

 

 

 

Wederzijds Passief

 

 

                   Is je hemel gebekt zoals je haar,

als je bedachtzaam in toeval,

met handen in je hals,

je lichaam in het zien mij reikt?

 

      Is je schaamte een paardestaart dat huppelt?

 

In de gedoogzone van je achterblik,

dit nog aandringend niemandsland,

in het rasteren van je haar,

leg ik examen af met mijn haar

en hals en blik,

om het dierlijke aan te gaan met hem

die jij gekozen hebt om te verslaan.

 

Aarzel ik want voor de slacht

kreeg ik een alliantie aanvermaand,

en wacht tot jij hem verzoekt

                                                             te gaan.

 

 

 





 

Wissel

 

 

 

Een rugzak om het boek te dragen

over hoe de man uit klei ontstond.

 

                                              Zij is vrouw,

 

en spreidt het vele eten          in een verlies van sjaal.

 

Keert hij zich dubbel om

en ankert schouders op

voor hij terug begint te trillen

aan de einders van zijn zorg.

 

Een zorgeloosheid in haar verward.

 

.

 

 

 

 

Onsponsorbaar,

Op het verraad van een inktpatroon

               

                                                  gedrukt.

 

 




 

 

 

 

Beslist

   

 

 

Strooi het zaad aan,

verbrijsel  in het schedeldak de toekomende                       

 

 

pigmenten,

 

 

die verre vermoeide reizigers,

verbrijsel en lach in de branding van het halsstarrig

 

 

 

                     open wond        

                    de instemming met dit koddig staan

                                                        en

                             omslaan.

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

Jij,  je was verwittigd en gewaarschuwd.

 

Je was het toen en bent het nu ingehaald,

                     nogmaals.

 

Jij die mij de deinende pijn van het

                                           losgeslagen oog ,

 

van de zijden wentellach ontnam door haar tragiek te vulgariseren tot het opzetten            

                       

van maskers,  meer en meer,      

               evenveel stagnaties rondom on-;

 

 

 

         bij jou is geen masker op te brengen,  jij die bent niets dan                                        

                                      opsmuk.

 

Tegen de omfronste zwaarte van  jouw roddels breng ik in stelling de ademlichtheid van dit woord.

 

 

 

          De brutale omhelzing van de sprong,

 

 

       

 

alert en zonder  tegenstroom

 

 

 In het vreemde lijden rafelt jij, gulzig waan tot export.

         Slingert een buitenboords geraamte als artefakten aether en schmink in de eindeloze eenzaamheid van lust.

         Alweer rakel jij belastend een oog en roemt zwakheid tot fataal,

          lijdt enkel aan het zelf als ontkende pagode, wat ik beaam; jij, daar,uitgelezen lucht in lucht gekeerd, zuigt, zuigt een

          tandkruisiging om elke tepel.

         Blaft overal: “m’as-tu vu”,”m’as-tu vu”,om nergens,

          een bunker niets dat zich aan zich bewijst.

         Een opgeblazen grap slist wat in mijn spreken kei is.

         Lijk en gif ben jij met standplaats in de ander.

         Leugens, om geen vrouw te delen maar weg te dompelen in jouw verdomhoekje.

         Eer- en eerloos nog, uitwasbaar door louter sluiten.

 

 

Van het vruchtbare oppervlak, het polluent schuim;

een gepolijste meeëter aan het ‘kievits eenzaam vleugelscheren’.

Weet jij dan nog niet dat met de ware wereld ook de schijnbare werd afgeschaft.

Je schiet wanhoop als kuit, niet de warme wanhoop van het pas geborene maar de stalen van het in zich veroordeelde.

 

Zo eis ik jou als zerk voor mijn gedode liefde en nog enkele anderen.

Jij bent een proxeneet die vlucht voor het vervolg,

zelf van de hoererij amper een technische fiche.

 

Mijn hoofd is heet en hard genoeg

om het risico te nemen dat haat dit gedicht bederft

als het zich niet keert tegen de valse nacht van strategie en

niet zijn hulp herleesbaar maakt in de littekens van zijn eer.

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

Kanker

 

tegen de Opkomst

 

 

 

 

 

Weerloos, dodelijk en kostbaar opgezet, ook mild, dit excessief verlies in mij

deert slechts als een pekpook van verlangen.

 

Brandmerk ogenblik glibt tot kracht, verweert chiastisch onbeslist het ter-ijk-gesteld-gelijk

die de fierheid negeert van hen die in zich een laatste dood behouden,

als opstand tegen dit eenhorig mechanisch zijn, aangeplaatst en opgepast,

tot de vluchtige meewijl dat enkel in het dartele onbepaalde

van haar blind gelaat als mogelijkheid zich een vrijheid kluistert.

 

Dit ijdele, deze roes, een dood verkocht en hunker over grenzen heen met dwars :

de helse definities.

 

 

Ze legden een ei en mechaniseerden het lijf in de schaal van die voorbepaalde dood;

ontledigden de machine van zijn geest en aanbidden als vulgaire geilaards

in consecraties de funktie zelf opdat ze niets meer zouden moeten weten.

Middel en doel verward tot duur als endlösung.

 

Ik deel hen die met bloed en open scheuren altijd hun longen opgorgelen en verwonderd nazien

hoe de rook zich zal draperen in de dodendans zoals eens hun liefde was.

 

Vuur, niet zonder rook, als ik min voed ik kanker in mijn geest.

 

Een sigaret als asdag is aan mij besteed.

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

Restfraktie

 

 

 

 

 

Dit woord als ik,

de handzaamheid,

van welke lach schicht,

ploft een fragmentatiebom

in hun gelijnd gelaat;

als ik zie samengangen met

tunnels overheen.

 

 

Een moeder meende mij te kennen.

Ze zei : Je bent de nagel,

zei ze, van mijn doodskist.

Nagel, opdat het ware lijk

als intieme bron zich bergen zal

binnen het intiem geglans

van de dansende hamer.

 

 

 

 

 


 

 

                                                                                                                   Vrouw

 

 

 

Ik ben engel nu,

azurig onoplosbaar in azuur

(dit oud onheelbaar landschap)

nader ik de mens,

zoals niemand ,

die dubbele,

ooit.

 

Alles,

is uitgespreid een coïtus.

Het heelal,

een blijven krampen van orgasme.

Het net niet spatten van de zeepbel

 komt klaar in de ongelezen tekst

en wil alleen in uw afscheiding nog,

fijnproeven het uitstel van de geur van aarde.

 

De zachte zalmen van je huid als

zij sterven in hun geboortegrond

die ene geslachtsdaad

te ver.

 

 

 


 

 

 

 

Valt een engel

 

 

als wees geborgen,

                              het begeren, stiefkind van het gerechtelijk hoe dan ook,

van,

       voor welk werkwoord ook­__geen objekt start langs de donkerste zijde

 

 

van het geruisloze lid tot wat had moeten zijn geweest het probleem:

 

 

 

 

Een nablijfwerk te voldoen.

 

 

 

Tijd in billen rust

overeenkomsten tot essentie.

 

Weggeefbaar de gravitatie

 

en ontlading in te lange kamers,

te korte blikken.

 

Uitspansel van wreed minnen

 

deint verder uit

 

 

 

 

verder

 

 

 

 

.

 

Berg ik haar als Neptunus in een baanafwijking.

 

 

 

 

 


 

 

     

   

     

   

Wetenschap

 

 

 

 

Wij noemen je hooiwagen zei hij tegen de toevallige spin.

Zo ben je vreemd aan jezelf

zelf voor ons geworden.

Meer dan dit en ons beminnen

kunnen wij niet.

Maar ons pogen zal eeuwig en gans zijn.

 

 

 


 

 

 

 

Antwoord

 

 

 

 

Hoe hier waar het afgedwongene tot belofte zal zijn verworden.

 

Waar niets dan het in zich beslotene als vraag naar overeenkomst het abstrakte tot de contradiktorische

aandwang van het samengroeien ...

 

 

...

drang, begeerte en emotie vertoeven in schaalloze essentie.

Spelen in spiralen afgronden

wat prostitutie veinst binnen het kwartuur.

 

Betwisten zich de voortgang van het schrift.

 

 

 

  einde anecdotisch distillaat


  back to text

  pupup