back to texts

 

 

 

 

ALS, ALS EN ALS

 

 

 

 

 

Frank Beeusaert

 

 

 

 

 

Inhoud

 

afasie

afname tot zonder liefde

beeld

celibatair

combine

consecratie

het komen van de dwergen

naar Celan

necropolis

ontvouwsel

slecht dicht

voorlopig dicht

vaderlands leven, vervolg

zege

 

 

 

 

 

 

AFASIE

 

 

 

 

ik ken de mensen nu met nitrasiet

het ebben hou ik hen als te   

eigengereidheid voor de mond

en zij spreken gulden vlies en argon om

een verplettering naast het smalend gat

van hun gebod.

 

het is waar:

zij knikte mij toe:

ik ben verboden achter het venster offer.

 

dus zong hij:

my way en dus wentelen wij in vreemde beelden

en breken ons paren.

 

 

gebroken nu ligt het paren

zegt zij:

waar waar ook weer waarom

_ meneer u komt toch morgen_

kon hij niet onthouden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

AFNAME TOT ZONDER LIEFDE

 

 

 

De toegang tot de reis is niet gratuïet.

Het is een werken al dat duurt tot de afstand

van het doel.

 

Het niet verschijnen van het prangen,

kil en koel,

zwijgt uitermate het roepen al

als als en als in zinnen taal verlangt

te vergeten het bedwingen van de vesten

of spijkerdraad overdwars doorheen

de Siegfried-pantsers heen geplaatst.

 

Een afname tot zonder liefde.

 

 

 

 

 

 

 

BEELD

 

 

daar staat hij verslagen_       

het slapen van mijn dag

het enorme dragen van de arrogantie

zijn gevierde schuld

 

en ook het licht speelt mee

een linkerschouder staat in brand en

in de ander suist een zee

 

maar wat een prijs voor zo weinig ruimte

                                       zo weinig tijd

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

CELIBATAIR

 

 

Weet jij dat in de nacht ik jou ben

dat niets anders ik begeer dan in je tekst

het woord te schrijven dat ons steelbaar maakt

als een paren zonder eind en zonder eind;

 

waar onweerstaanbaar ijlt eer

de demon de mythe stelt,

_ dit éénhorig mechanisch zijn _

om de steeds meervoudige eclipsen

heengewankeld.

 

waar jij niet langer jij

ineenduikt in het geijkte algenkruid

en de walg van het eeuwig verhaal,

als als en als

een machine keert

en het systeem ontluisterd

zichzelve stelt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

COMBINE

 

 

Overdracht en klein kleden vedertaal en lichtgebruik

het huien van de ochtend schrikt me

treed jij dan een zwoel gebed en lover een opdracht

mij, voor je prevel sta ik honderdmaal en ga doorheen

het denken stichten het smelten van het lichaam.

 

Aldus hebben wij elkaar gesproken maar doorheen

het scheuren van ons vlees tocht nu het ijzig Groenland,

het is niet de koude die ons deert,

om woord met woord te kruisen lig jij

lig ik liever boven in ons vlees

het is niet de koude die ons deert.

 

Ons ander eten melk met bier eist: “het zal

wel gaan keer en keer maar weifel niet voldaan”

toch zie hoe ik verdwaal in dit onzijdig vaderschap

en terug gebruik het oude woord verraad.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

CONSECRATIE

 

 

denk jij dat ik niet schrijven kan en dat in mij vertoeft iets anders dan een tussenstand, weet dan dat hoe dan ook al is het maar voor even juist daar niet de voldoening om jou begaat, kijk op en neem gul als jij niets anders weg en geef de plaats de naam die het je vraagt, draal niet langer ik heb het kind niet meer met ijs en tenger tegoed dat liep onpaar met hart en steeds dras in kuilen heen en weer terug met gruw van klank

 

weigert men niets anders dan mijn anti-tent.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

HET KOMEN VAN DE DWERGEN

 

 

wie zal mij vergeven dat jij je wendt tot de volgende,

het graf ontvlieden dat mij geboren heeft in zee

gesproken geboden, groen de kleur en kanker

over de stilte, met eelt van de hand een nacht.

 

toverhand je slaat mijn klein geluid open tot 

het wilde stomen voor het verder ongeval,

kom zwint het gestreel en bijt uit het hart het hart

en berijdt mij als je schimmel naar nedergang.

 

de laatste afstotende kramp van je schaamte roept mij,

kan ik dan anders zijn dan dankbaar, hoe anders zal ik zijn

als nu je schat de afstand draagt dan zwangerschap door kader,

wil dan je handen de ontvangst van het weigeren slechts delven

en gaat jij in een wit gelaat de vergeten drang bezweren

open dan het bloed liefste en offer

zodat mijn aarzel laait op de galm die weigert

het onleesaar tussenteken te bestemmen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

NAAR CELAN

 

 

begeer mij de drang naar overdaad

over je lijsterpraat naat taal

drang op overgang

over het galmgat

drang om goud te delven

in het kruisendal,

morgen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

NECROPOLIS

 

 

 

Kreukt dan toch het vouwen van de geschiedenis

het halen van mijn steenkool-zuster tot een adem?

 

Een zwijn uit de rivieren of moet ik zeggen wat

was en steeds zal zijn, met alles eraan erop ,

beweert het gemak en snijdt met zijn messen in mijn keel

tot voorbij een eerste spreken: “nu moet je kiezen”

snijdt hij: “nu moet je kiezen, jij ook.”

 

Maar wees nu gerust geliefden

mijn vriend, en ik wij drinken gal want wij

houden van elkaar, mijn vriend en ik met

mate wel verstaan en spuwen speelse fouten

in het epitaaf voor dit massagraf: simpel gluk.

 

Zo zijn wij, zo halen wij toch nog net op tijd,

mijn vriend en ik, onze gal en onze lust.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ONTVOUWSEL

 

 

 

Gedenken voor de lankmoedigheid waarin de vreugde heerst

                van mijn voortijdig voorgaan,.../...

         ook wel het voorwoord ter gelegenheid

         van het vouwsel vrouw-vrouw slechts

 

         of de fines inter fines van een taal

         die haar klemtoornig gebaalde lankmoedigheid

         bespot over het moment

         waarin vuur als vreugde waant

                                  altijd en altijd,

                                  stof en geest,

                                  om goden dank te zwijgen.../...

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SLECHT DICHT

 

 

              dit is het apodictisch eind van mijn bestaan

waar het woord het vlees niet raakt tenzij het vlees

waar het vlees het vlees niet baart tenzij het vlees

 

              dwars over de overdaad verdween de brief

hoe hij het nam in de wijn van mijn roes.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VOORLOPIG  DICHT

 

 

 

niemand aast het lot van één twee drie

met de kortstotterende trek van een witheid

 

het licht dat valt op het glazurig licht van helderheid zelf

kent weinig slechts de klank als het komt tot feest

 

zo ook in de witte dagen als de aarzel

het niets-verschoten dagboek van het vergeten

van de vergetelheid bespreekt

 

kom schenk nog eens een koppig zijn aan je verwendheid

en kluiver dan niet op smaragden van saffraan die zijn

als het voren van een hemelse beschonkenheid

of een voorbarig  ‘loop nog een blokje om’.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VADERLANDS LEVEN, VERVOLG

 

 

Met tango danst zij schoonheid in haar dralen dood

 

verwijlen in de schoot van boek één naar twee van

Sollers op Barthes en dan terug tot de kommer van

Ariadne

 

deze niet zo nieuwe tijd beaamt de sprong van de teerling

dubbelt een rondje op haar zij en blaast met wind

een verbleven rede tot de stand van evenwicht

 

ook ik herschrijf dubbelpunt en aangehaald:

“nul-oneindig overwint”

 

het voorgeworpene zegt mij als een ochtend

nooit voordien, tot even weer ademt met

wat niet hoort een daad de tering stelt

het spel wordt inderdaad in glas gespeeld

en weer snijdt vierkantswortel zoveel op streep

de breuk een kleur.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

ZEGE

 

 

 

de stift trekt zich in orgasmen een wereld

en schrijft zich klaar tussen tafel en steen

 

de ode is geplaatst, het had niet moeten zijn,

het heeft gewild en is gebeurd

 

dansen dus rond het schenken de ronde o van

eros, het vierkant van het ondeelbaar veelvoud,

de kern van o zelf kern, alleen, zoals men jou houdt

en zich verhoudt van a naar b en b naar c

 

zeg ik dan: “navel” want het gevecht schrijdt aldus

en hoe dan ook het het waaruit hij spreekt als in

een beladen droom van warrelozen zegt: “vier op vier”

 

een teugeloos gebrein van zwakheid

 

en ook de bede voor de scherprechter

groet het gewild met: “tien op tien”

 

maar niet ik niet ik betreed het mooi blad van het

gestamel met fatsoen, luister hoe ik zwijg en hoe in

mij slechts teder een  ieder zich verplaatst

en gaat en gaat het vallen mij angstig voor de borst

dan: absolve, absolve me.

 


 

back to texts