Inhoud
afasie
afname tot zonder liefde
beeld
celibatair
combine
consecratie
het komen
naar Celan
necropolis
ontvouwsel
slecht dicht
voorlopig dicht
vaderlands leven, vervolg
zege
ik ken de mensen nu met nitrasiet
het ebben hou ik hen als te
eigengereidheid voor de mond
en zij spreken gulden vlies en argon om
een verplettering naast het smalend gat
van hun gebod.
het is waar:
zij knikte mij toe:
ik ben verboden achter het venster offer.
dus zong hij:
my way en dus wentelen wij in vreemde beelden
en breken ons paren.
gebroken nu ligt het paren
zegt zij:
waar waar ook weer waarom
_ meneer u komt toch morgen_
kon hij niet onthouden.
De toegang tot de reis is niet gratuïet.
Het is een werken al dat duurt tot de afstand
van het doel.
Het niet verschijnen van het prangen,
kil en koel,
zwijgt uitermate het roepen al
als als en als in zinnen taal verlangt
te vergeten het
bedwingen
of spijkerdraad overdwars doorheen
de Siegfried-pantsers heen geplaatst.
Een afname tot zonder liefde.
daar staat hij verslagen_
het slapen van mijn dag
het enorme
dragen
zijn gevierde schuld
en ook het licht speelt mee
een linkerschouder staat in brand en
maar wat een prijs voor zo weinig ruimte
zo weinig tijd
Weet jij dat
dat niets anders ik begeer dan in je tekst
het woord te schrijven dat ons steelbaar maakt
als een paren zonder eind en zonder eind;
waar onweerstaanbaar ijlt eer
de demon de mythe stelt,
_ dit éénhorig mechanisch zijn _
om de steeds meervoudige eclipsen
heengewankeld.
waar jij niet langer jij
ineenduikt in het geijkte algenkruid
en de walg van het eeuwig verhaal,
als als en als
een machine keert
en het systeem ontluisterd
zichzelve stelt.
Overdracht en klein kleden vedertaal en lichtgebruik
het huien
treed jij dan een zwoel gebed en lover een opdracht
mij, voor je prevel sta ik honderdmaal en ga doorheen
het denken stichten het smelten van het lichaam.
Aldus hebben wij elkaar gesproken maar doorheen
het scheuren van ons vlees tocht nu het ijzig Groenland,
het is niet de koude die ons deert,
om woord met woord te kruisen lig jij
lig ik liever boven in ons vlees
het is niet de koude die ons deert.
Ons ander eten melk met bier eist: “het zal
wel gaan keer en keer maar weifel niet voldaan”
toch zie hoe ik verdwaal in dit onzijdig vaderschap
en terug gebruik het oude woord verraad.
denk jij dat ik niet schrijven kan en dat in mij vertoeft iets anders dan een tussenstand, weet dan dat hoe dan ook al is het maar voor even juist daar niet de voldoening om jou begaat, kijk op en neem gul als jij niets anders weg en geef de plaats de naam die het je vraagt, draal niet langer ik heb het kind niet meer met ijs en tenger tegoed dat liep onpaar met hart en steeds dras in kuilen heen en weer terug met gruw van klank
weigert men niets anders dan mijn anti-tent.
wie zal mij vergeven dat jij je wendt tot de volgende,
het graf ontvlieden dat mij geboren heeft in zee
gesproken geboden, groen de kleur en kanker
over de stilte,
met eelt
toverhand je slaat mijn klein geluid open tot
het wilde stomen voor het verder ongeval,
kom zwint het gestreel en bijt uit het hart het hart
en berijdt mij als je schimmel naar nedergang.
de laatste afstotende kramp van je schaamte roept mij,
kan ik dan anders zijn dan dankbaar, hoe anders zal ik zijn
als nu je schat de afstand draagt dan zwangerschap door kader,
wil dan je handen de ontvangst van het weigeren slechts delven
en gaat jij in een wit gelaat de vergeten drang bezweren
open dan het bloed liefste en offer
zodat mijn aarzel laait op de galm die weigert
het onleesaar tussenteken te bestemmen.
begeer mij de drang naar overdaad
over je lijsterpraat naat taal
drang op overgang
over het galmgat
drang om goud te delven
in het kruisendal,
morgen.
Kreukt dan toch
het vouwen
het halen van mijn steenkool-zuster tot een adem?
Een zwijn uit de rivieren of moet ik zeggen wat
was en steeds zal zijn, met alles eraan erop ,
beweert het gemak en snijdt met zijn messen in mijn keel
tot voorbij een eerste spreken: “nu moet je kiezen”
snijdt hij: “nu moet je kiezen, jij ook.”
Maar wees nu gerust geliefden
mijn vriend, en ik wij drinken gal want wij
houden van elkaar, mijn vriend en ik met
mate wel verstaan en spuwen speelse fouten
in het epitaaf voor dit massagraf: simpel gluk.
Zo zijn wij, zo halen wij toch nog net op tijd,
mijn vriend en ik, onze gal en onze lust.
Gedenken voor de lankmoedigheid waarin de vreugde heerst
van mijn voortijdig voorgaan,.../...
ook wel het voorwoord ter gelegenheid
van het vouwsel vrouw-vrouw slechts
of de fines inter fines van een taal
die haar klemtoornig gebaalde lankmoedigheid
bespot over het moment
waarin vuur als vreugde waant
altijd en altijd,
stof en geest,
om goden dank te zwijgen.../...
dit is het apodictisch eind van mijn bestaan
waar het woord het vlees niet raakt tenzij het vlees
waar het vlees het vlees niet baart tenzij het vlees
dwars over de overdaad verdween de brief
hoe hij het nam
niemand aast het lot van één twee drie
met de kortstotterende trek van een witheid
het licht dat valt op het glazurig licht van helderheid zelf
kent weinig slechts de klank als het komt tot feest
zo ook
het niets-verschoten dagboek van het vergeten
kom schenk nog eens een koppig zijn aan je verwendheid
en kluiver dan niet op smaragden van saffraan die zijn
als het voren van een hemelse beschonkenheid
of een voorbarig ‘loop nog een blokje om’.
Met tango danst zij schoonheid in haar dralen dood
verwijlen
Sollers op Barthes en dan terug tot de kommer van
Ariadne
deze niet zo
nieuwe tijd beaamt de sprong
dubbelt een rondje op haar zij en blaast met wind
een verbleven rede tot de stand van evenwicht
ook ik herschrijf dubbelpunt en aangehaald:
“nul-oneindig overwint”
het voorgeworpene zegt mij als een ochtend
nooit voordien, tot even weer ademt met
wat niet hoort een daad de tering stelt
het spel wordt inderdaad in glas gespeeld
en weer snijdt vierkantswortel zoveel op streep
de breuk een kleur.
de stift trekt zich in orgasmen een wereld
en schrijft zich klaar tussen tafel en steen
de ode is geplaatst, het had niet moeten zijn,
het heeft gewild en is gebeurd
dansen dus rond het schenken de ronde o van
eros, het vierkant van het ondeelbaar veelvoud,
de kern van o zelf kern, alleen, zoals men jou houdt
en zich verhoudt
van a naar
zeg ik dan: “navel” want het gevecht schrijdt aldus
en hoe dan ook het het waaruit hij spreekt als in
een beladen droom van warrelozen zegt: “vier op vier”
een teugeloos gebrein van zwakheid
en ook de bede voor de scherprechter
groet het gewild met: “tien op tien”
maar niet ik niet ik betreed het mooi blad van het
gestamel met fatsoen, luister hoe ik zwijg en hoe in
mij slechts teder een ieder zich verplaatst
en gaat en gaat het vallen mij angstig voor de borst
dan: absolve, absolve me.